Zo.
Alsof mijn mond vol tandpastaschuim zit en
er geen lavabo te vinden is.
Zo rusteloos, en een beetje bang, zo voel ik me vannacht.
Ik schurk mijn aansteker in vlam en zou nu deze tafel in brand kunnen steken, en kijken wat er gebeurt. Ik zou het ook niet kunnen doen. Stel dat ik het doe, dan moet ik aan mijn tante vertellen wat mijn beweegreden is geweest, op zijn minst. Ik zou “gewoon” moeten antwoorden, zonder komma of puntjes erbij. En daarna zou de psycholoog een praatje met me slaan en zou ik tijdelijk ontoerekeningsvatbaar kunnen worden verklaard. Ik zou een tafel moeten betalen, en misschien de rest. Stel dat ik het niet doe, dan blijft deze avond even saai en zonder enige vorm van experiment.
Trek een grens. Doe het.
Vuur is als Jonatan’s vissen. Doorzichtig, licht gekleurd, en glanzend en ongrijpbaar. De tafel fikt, vissen zwemmen een rondje voor de sport en kijken nieuwsgierig naar mijn kop. Mijn mond doet vissenmondjes na, ik hoor die vuurtjes lachen.
Zouden vissen drinken, zoals wij ademen? En in welke mate dan?
Misschien best mijn laptop even in veiligheid brengen. Ik zet hem op mijn schoot en typ verder. Nog even van de dichterlijke vrijheid genieten, en Appelsientje lest mijn dorst. Wat een onzin en verveling. Zouden vissen zich vervelen? Of koeien? Of zouden hun hersenen net groot genoeg zijn om het allemaal niet te veel te beseffen? Zouden vissen zich vervelen als hun hersenen even groot waren als die van koeien? Zou ik me niet vervelen wanneer ik voor stukadoor was gegaan?
Ik staar naar de vissen en zwaai met mijn handen, die ik kort tegen mijn lijf hou, als vinnen. Ik moet daarom lachen. De vissen laat ik leven, maar de tafel is reeds kampvuur. Ik neem mijn laptop van mijn schoot, draai me om en sluit de deur. Zo. En dan nu even naar tante bellen.