Archief

Maandelijks archief: oktober 2008

De dag heeft sinds lange tijd niet meer zo lang geduurd.
De wekker loopt af om kwart voor acht. Jurydag! Ik waag een poging en kijk naar buiten. De lucht is helder en licht, en wordt doorkruist door een paar laaghangende streepjes paarse wolk. Het zal een pracht van een dag worden. Ik ril uit bed en neem een douche. Daarna teken ik met mijn vinger op de spiegel. Een gloeilamp, een hond, een voetbal. Ik beslis mijn kleren aan te trekken en eet een banaan. Geluksonderbroek, bollenrok en luchtig gilet. Van jury’s krijgt een mens het warm. Ondertussen zingt Barbara Bonney het Ave Maria: ik ben niet vies van een beetje dramatiek. Later op de dag zal ik horen van Athos en Jonas dat ook zij voor de gelegenheid hun geluksonderbroek hebben aangetrokken. Read More

 

Beste Michaël A.,

toen wij elkander ontmoetten, afgelopen woensdag omstreeks 18.19u., viel uw persoon me vrijwel onmiddellijk op. U droeg een casual kakigroen hemd, met daarover een Viktor&Rolf kostuumvest. Over dit alles hing een lange zwarte -als ik me niet vergis lederen- trenchcoat gedrapeerd. Ik dacht: “gutjes, het is er een van dat slag.” Met dat slag bedoel ik:

een Kunstenaar die zich pas echt Kunstenaar waant als hij zich onder zijn lange zwarte jas bevindt, voor de au sérieux. Zo iemand die elke zin voor zelfrelativering kwijt is geraakt door het behalen van een aantal prijzen.

Maar ach, vrijwel onmiddellijk daarna bedacht ik dat vooroordelen hebben iets is voor diezelfde Kunstenaars, en dat ik mij ten allen tijde wil behoeden voor het mij in dit milieu verliezen. Daarom liet ik u aan het woord.

Plotsklaps begon u te lullen zoals enkel Kunstenaars dit kunnen. U had deelgenomen aan een project van Arteconomy, waarin u de bedienden van een textielbedrijf mee op stap nam in het Kunstenaar-zijn, om hen zo te laten losbreken uit hun alledaagse sleur. Het feit dat het hier ging om bedienden vond u niet onbelangrijk, want werken met arbeiders zou u te veel hebben vermoeid. Die gevallen waren er immers nog erger aan toe, en u wist niet of u wel een Serieus Gesprek met hen zou kunnen voeren. Wat u vrijwel meteen opmerkte was dat ongeveer al deze bedienden depressief waren. Dit kwam, vond u, door hun routine: opstaan, werken, koken, afwassen, soap kijken en gaan slapen. Dit was de bullshit waarmee deze mensen hun dagelijks leven opvulden. Mensen! Zeg ik mensen? U had het over ‘erge gevallen’, ‘de ergste gevallen’ en ‘de depressieven’. Ik wist niet dat kunstenaars psychologen waren, maar hier weid ik verder niet over uit. De manier waarop u over deze mensen praatte, was nogal denigrerend. Begrijp me niet verkeerd:

ik ben geen Geval dat de politiek correctheid van vandaag verdedigt. Ook ben ik geen feministe of politica die uit eigenbelang kakt op alles wat voor hen -vaak ten onrechte- denigrerend overkomt.

Ik stond in mijn mening namelijk niet alleen. Na afloop, op café, hoorde ik van mijn medeluisteraars dat zij met hetzelfde gevoel achterbleven; alsof u het had over mentaal gehandicapten die dringend Gered moesten worden. Kunstenaars horen geen arrogante missionarissen te zijn.

Wat u wel sierde was dat u dit project niet voor het geld deed. “Als ik een dag thuis blijf om een tekening te maken verdien ik namelijk meer dan mocht ik een paar uur naar het textielbedrijf gaan.” Barmhartig, dat wel, want u deed het bijna vrijwillig.

Na dit alles trok u uw trench weer aan en snelde u zelfverzekerd weg, want u had het waarschijnlijk druk, druk, druk.

Ik hoop u nooit meer te hoeven ontmoeten, maar steeds
met vriendelijke groeten,

Eva Mouton.

 

Maarten, Tim en ik zitten aan tafel. Deze is groot en donkerbruin. Drie bordjes, wat boterhammen, hagelslag, boter, kazen en ham liggen er chaotisch over verspreid. Wij hadden nog niet gegeten. “Het is een schone tafel, Maarten,” zeg ik, “en een schoon appartement. Licht en ruim, witte muren, altijd prachtig.” Tim beaamt. We slurpen koffie, simultaan, als oude wijfjes die al veel te lang elkaars vriendschap delen. Maarten begint over de literatuur te praten, want daarvoor kwamen wij tenslotte samen. Zijn bundel, de uitgever, die schrijversborrel laatst. Ik voel mij een kind dat voor de eerste keer naar Het meisje met de zwavelstokjes luistert: een beetje ontheemd, en ongeduldig naar wat nog volgt. “Een wàt?” hoor ik me luidop vragen. “Een schrijversborrel”, legt hij uit, “dat is zo’n fenomeen in Nederland: schrijvers komen samen om te praten. De enige vereiste is dat je al een boek hebt geschreven, of een boek verwacht. Oh, en de locatie moet geheim.” “Dwazen,” snuif ik. Read More

Ze vinden mij een rare maar ik kan dat telkens weerleggen. “Lezen is letters oogsten,” zeg ik dan, “en wij hebben thuis nu eenmaal een CR9090 staan.” Meestal hebben ze daar niet van terug en siddert hun hersenpan van de inspanning, dat zie ik wel. Uit hun oren druipt een koffielepeltje schedelsap. Mocht die CR9090 zijn werk toch nog niet naar behoren hebben gedaan, mompel ik er nog iets achter. “Jammer toch van die toenemende jaloezie over dat ding.” Ik kijk naar boven alsof ik tegen God zeg dat ik straks wel op de koffie kom, als ik de mensheid van haar zeven hoofdzonden heb bevrijd.
Retorische vragen doen het doorgaans ook goed: “Tina Turner, kiest die haar kapsels zelf?” vraag ik, met een lijf in kaarsrechte houding en de ogen een lichtjes toegeknepen, om mijn vraag meer body te geven. Soms laat ik mijn hoofd er bijna onmerkbaar bij knikken, als extraatje zeg maar, zoals die van wiskunde doet wanneer ze het over de toets van volgende week heeft en dat wij moeten studeren want wie gaat later onze kinderen anders te eten geven, denken wij?

Details, daar draait het om. Een vraag of stelling zonder ondersteunende lichaamstaal kan je al beter via het internet de wereld in sturen, en geloof me: dat medium ligt mij niet. Read More

Met stip op één: een Canada Dry. Wat is dat in godsnaam voor drankje, en wie vond die naam uit? Waarom is het dry? Ik geloof dat het een soort vage mengeling van Schweppes en Sprite betreft, althans zo stel ik het me voor. Maar dan blijft de vraag: wie drinkt zo’n spul? Is het mogelijk om als doorsnee mens te denken: “God, schat, wat heb ik toch zo’n zin in een Canada Dry vandaag. Nou, zo’n lekkere Canada Dry, dat heb ik nu wel verdiend.”? Vertel mij: kan dit?

Op twee: een Slippery Nipple. Hoort thuis onder de categorie cocktailachtigen en zal tevens nooit door mij worden besteld. De reden weze duidelijk: ik ken schaamte, en ik schaam mij daar wel eens voor. Mijn blozende wangen roepen levendige taferelen op van wijzende en joelende kinderen. “Tomaat, tomaat, tomaat,” gonst het door mijn hoofd, en ik bestel een Caipirinha.

Drie: bier, om verschillende redenen. Het smaakt naar kots, het maakt mij dik en het herinnert mij aan de rotte adem van verkeerd gekozen pubervriendjes op meer dan foute fuiven.

 

Volgende week: dingen die ik nooit bestel in de frituur.

De wereld is mijn teevee. Althans: dit stukje wereld. Ik zit naast mijn plant en wij kijken naar buiten. Alles gaat vlotter met een goeie fiets en aangepaste kledij. Ik zet het geluid aan; de venster staat open. De wielrenner steekt het meisje voorbij.

Onze buurman heet God en ik weet niet precies of daar nog een familienaam achter moet. Zijn deur is altijd op slot en hij is ook nog nooit om een citroen komen vragen. Op zondag komt er altijd veel bezoek, maar wij gaan nooit en zonder reden. Ik kijk naar Samson in de plaats.

Volg

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 3.936 other followers