Archief

Maandelijks archief: november 2008

De donkergrijze kiezels knisperen onder onze voeten. We stappen goed door, want het is koud. Bovendien begint die bloempot door te wegen. Ik draag te weinig kleren en de wind waait onder mijn te grote trui. Er staat kippenvel op mijn onderrug, daarom trek ik mijn broek nog een beetje op. Een groepje praat luid in het dialect van Waasmunster. Het lijkt alsof ze elkaar lange tijd niet hebben gezien.

De lucht is zo helder wit dat het pijn doet aan de ogen. Tegen dat witte vlak staan de bomen sterk afgetekend, alsof ze zijn uitgeknipt en er met Pritt tegen geplakt. Het regent een beetje. De vrouwen van KVLV verkopen rode grafkaarsen. Wij kopen er geen.

Het is altijd weer te vlug een november. Vandaag komt de zomer nooit meer terug.

We stappen naar buiten. Ik wikkel zijn sjaal nog vlug rond mijn nek en spreid mijn armen open naar de nacht.
‘Vanaf nu opereer ik enkel nog onder de noemer Funst,’ zeg ik kordaat en tegen al wie het maar horen wil. Enkel Bert hoort het. Hij draait zich om en geeft me de sigaret waar ik niet om had gevraagd, want ik ben al ontzettend lang gestopt. Zelf neemt hij er ook een.
‘Gedaan met de Kunst, ik maak alleen nog maar Funst,’ zeg ik nog eens, want misschien heeft hij me niet zo goed verstaan.
‘Ja,’ knikt Bert. Hij lacht: ‘doen!’
‘Ja, echt hoor,’ antwoord ik, ‘ik doe het echt.’
De aansteker stop ik weer in zijn broekzak, en ik neem een trek van die verse sigaret. Uit mijn mond blaast een wolk, maar waar de rook stopt en de adem weer begint is niet duidelijk. Het is november, en koud geworden plots. Bovendien staan we op het dak van De Singel en is het al laat. Even is het stil en horen we enkel de autostrade nog onder ons razen. Read More

‘Soms heb ik zoveel dorst dat ik ook een vis zou willen zijn. In een bokaal met fris vers water zou ik mijn vinnetjes strekken en gewoon wat rondzwemmen,’ zeg ik, ‘en drinken als ik daar zin in heb. Grote happen uit mijn habitat.’ Ik zit op een stoel voor Jonatans aquarium met exotische vissen en praat tegen Bert, die achter zijn computer zit. Jonatan, de huisgenoot, is uit werken.
‘Gaat het dan niet meer om het zwemmen dan om het drinken,’ antwoordt Bert. Daar moet ik even over nadenken. ‘Waarschijnlijk wel, zwemmen als een vis lijkt mij heel moeiteloos te gaan. Je glijdt zo, en alles glijdt ook zo weer van je af.’ Een kleine maanvis zwaait naar mij, ik zwaai terug en doe zijn mondje na. ‘Ik denk dat ik dat rondjes zwemmen heel vlug beu zou worden,’ zegt Bert. ‘Net niet, want als vis heb je maar hele kleine hersentjes, die zijn geprogrammeerd om alleen te zwemmen en aan niets anders te hoeven denken. Een zaligheid dus.’ Er kijken nu vier maanvissen naar mij, ze kijken wel blij, en even nieuwsgierig als ik. ‘Zie je wel, hoe blij zij zijn,’ zeg ik, maar eerder tegen mezelf. ‘Zonder mijn denken ben ik niets,’ mompelt Bert. ‘Nee, een vis,’ antwoord ik, ‘een vis die zwemt.’

Ik ben Manuel en soms heb ik zoveel dorst dat ik een vis zou willen zijn. Een goudvis ofzo, het hoeft niet exotisch. In een bokaal met vers, fris water zou ik mijn vinnetjes strekken en gewoon wat rondzwemmen, zonder denken. En drinken als ik daar zin in had. Grote happen uit mijn habitat. Zwemmen als een vis lijkt mij ook heel moeiteloos te gaan. Je glijdt zo, en alles glijdt ook zo weer van je af. ’s Nachts kruip ik met mijn vrouw in het kasteel. Baasje doet het licht wel voor ons uit.

Op 28 juni 2005 sla ik voor het eerst de Zwartezusterstraat in. In mijn armen houd ik een ontzettend grote map geklemd, daar zit mijn huiswerk netjes in. Het is een echte tekenaarsmap, want ik kreeg ze vorig weekend van mijn vader. ‘Deze map heb ik nog gebruikt toen ik op Sint-Lucas zat,’ zei hij. Over zijn naam had hij zorgvuldig twee lijntjes plakband gekleefd, en daarop stond nu mijn naam geblokletterd. Ik bedankte hem en nam de map onder mijn linkerarm, om al eens te oefenen. Dat ging niet zo best: mijn arm was net te kort, waardoor de map pijnlijk onder mijn oksel zat gespannen. ‘Elke avond een uurtje aan de trapleuning hangen om je armen uit te rekken, en alles komt goed,’ grapte mijn vader. We moesten daar erg om lachen. Toen werd hij weer serieus. ‘Eefke,’ zijn hand zelfs op mijn schouder, ‘op je toelatingsproef moet je maar één ding zeggen: dat je oneindig veel goesting hebt om schilder te worden. Overdrijven mag. Dan laten ze je zeker toe.’ Ik knikte, maar vanbinnen was ik niet echt overtuigd van zijn woorden. Ik deed het wel op mijn manier. Read More

Op het water dobberen grote groepen eenden en ganzen. Oona zegt: “kijk, iedereen maakt afspraken om te vertrekken.” “Ja,” antwoordt Nina. Dan, net als Oona bedenkt dat niets, behalve dan zelfmedelijden, haar wellicht nog kan ontroeren, stijgen deze grote groepen ganzen op in nog perfecte V-formaties. Met grote slagen wieken zij zich een weg naar het Zuiden, waar de dagen lang zijn en de zuchten gering. De lucht laten zij in lange plukken paars achter hen.

Het is avond. Nina en ik zitten in de zetel onder het dekentje. Zij gaat gebukt onder een berg sokken, ik onder mijn onvermogen tot schrijven. Zij vouwt op, ik hang maar wat. 

“Nina,” zeg ik.

“mmm,” antwoordt zij.

“Zeg eens een woord.” Misschien zorgt het voor wat inspiratie.

“Wat voor woord?”

“Eender wat.”

“Kut.”

“Nee, iets anders, een voorwerp ofzo.”

“Sorry, ik kan alleen aan sokken denken.”

“Kut.”

Ik trek nog wat deken over me en zap naar Desperate Housewives.

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 5.632 andere volgers