archiveren

Maandelijks archief: april 2009

Kraai was uitgenodigd door AmuseeVous om het literatuurluik op Citadelle Ma Belle, een feest in het Citadelpark, in te vullen. Tim Devriese, Ivo Allewaert en ik sprongen uit de bosjes en verrasten mensen op poëzie en verhalen. Dit gedicht schreef ik, geïnspireerd door het park.

Hij.

Elke ochtend
loop ik hem zomaar voorbij.

Hij zit op de rand van de bank,
rookt een pijp,
draagt een hoed
en kijkt wat in de verte.
Of naar de grond,
of naar de zakdoek in zijn hand,
ik weet niet.

En ik denk:
mijn zekerheid bevindt zich hier,
’s morgens om half negen
in het park tussen de bomen.

En dan:
denkt hij dat ook van mij?

Wij woonden naast de kerk, in een oud klooster. Achter onze tuin lag het kerkhof. In de vakantie zagen mijn zus en ik tijdens het ontbijt sporadisch een kist passeren. Daarachter een droevige stoet van mensen. Toen heeft mijn vader extra beplanting gezet, en het gras achteraan mocht plots lekker lang. Als wij onze tuin te klein vonden, gingen wij op het kerkhof spelen. De kindergrafjes observeren, omdat wij die zo schattig vonden. Of door de wind verdwaalde bloemstukken op het graf van Annelies haar mama gaan zetten. Zij was gestorven van die tulband op haar kop en verdiende zo’n extra bloemstuk wel. Dat er soms geen fotootje op een zerk stond, vonden Nina en ik niet kunnen. Konden wij niet zien wie er nu eigenlijk onder onze voeten lag.

Het kerkhof was voor de gewone mensen. Jezus, bijvoorbeeld, had verschillende zerken. Als wij om gehakt moesten bij Dolf, maande ik Nina aan om over de riooldeksels te springen. Dát waren de graven van Jezus. En niemand die het wist. Gelovigen zijn zo onwetend.

Wij hadden een poes als wij eigenlijk een hond wilden, en een hond als wij een poes veel toffer vonden. Toen Poeh, onze laatste poes, was gaan lopen, adopteerden wij een Duitse Herder. Op een keer waren wij Floekie kwijt. ’s Avonds kwam hij aan de achterdeur krabben. Ik opende de deur. Hij liet iets vallen uit zijn mond. Mijn moeder zag dat het een bot was. Ik heb nooit mogen weten of het van een mens afkomstig was. Later was er ruzie. Mijn vader wilde het bot houden als studieobject, mijn moeder vond dat te gevaarlijk. De volgende morgen heb ik dat ding uit de vuilniszak in de vuile berging gehaald. Ons moeder kreeg meestal gelijk.

Ik kreeg warm bleekwater van mijn vader, waar ik dat been een dag in moest laten weken. De emmer had hij in het atelier gezet. Daar kwam toch geen hond. Op vrijdag stak hij het in zijn boekentas. Hij nam het mee naar de school waar hij lesgaf. Hij knipoogde, ik probeerde er eentje terug. Hij strandde in ons midden.

Vanaf dat moment lag mijn hart bij de archeologie. De familie kon dat zien aan mij. Hoe dat kind zo zorgvuldig botjes opgroef in het kippenhok, dat kon je niet geloven. Nina vond het toch vies. Toen ben ik maar gestopt.

We speelden van secretaresse aan het bureau dat ons vader had gemaakt. Mama zat tussen ons in aan haar naaimachine. Wij moesten brullen in onze Fristibrikjestelefoons om bestellingen op te nemen. En af en toe onze broeken uit om broeken in wording te passen.

Ik had kleren in alle kleuren en modellen. Ik had de stoffen maar uit te kiezen in mama’s stoffenwinkel. Toch moest ik kleren lenen van mijn nichtje toen mijn opa stierf.
Mijn opa was gestorven van de hersenbloeding. Nina en ik hebben hem nog een keer levend gezien in het ziekenhuis, maar dat was niet voor echt. Hij deed zijn ogen niet meer open. Nina hield mijn hand vast, ik hield opa’s hand vast, want dat had mama mij gevraagd. De kliniek breidde uit, dat zag ik door het raam. Er waren twee gele kranen aan het werk. Ik spiekte af en toe naar opa zijn gezicht, dat er wit en ingevallen bij lag.
‘De verpleegsters haalden opa’s tanen eruit voor het gemak’, zei mama. Ik keek terug naar buiten. Opa geeuwde, zijn tong droog als Portugese grond.
‘Opa heeft niet veel meer gedronken, maar die slang in zijn arm drinkt nu voor hem.’ Mama wees naar de baxter. Ik keek, maar naar buiten, en bad dat ik alsjeblief zo weinig mogelijk nachtmerries kreeg. En ook dat opa snel weer wakker werd.

Tijdens die ziekenhuisweek werd er veel gefluisterd, en na zijn dood nog meer. De begrafenisondernemer kwam. Mijn nonkel vroeg wat ze met opa’s trouwring gingen doen. De vreemde deed een gebaar met zijn handen en zei ‘tangske’. Ik stak mijn tong uit naar hem.

’s Nachts sliep ik bij Nina, want ik had gedroomd dat opa uit mijn kast kwam vallen. Ik vroeg haar of het erg was dat ik meer om de weggelopen Poeh had geweend dan om opa. Zij vond van niet. ’t Komt wel, beloofde zij. We gingen slapen.

Tijdens de begrafenis mocht ik op Nina’s stoel, omdat die verder van de kist stond. Enkel oma kon de gebedjes meezeggen. Wij waren niet katholiek. Daar was de pastoor boos om geworden. Op een dag stond hij aan onze deur. Ik deed open. Mijn moeder gaf hem koffie. Toen zei hij dat wij naar de mis moesten gaan.
‘Jullie moeten het goede voorbeeld geven. Jullie wonen in een klooster.’ Hij is niet meer lang gebleven.

Er werden dikke kluiten zand op mijn opa gegooid. Ik vroeg me af waar het graf bleef.
‘Dat duurt een paar maanden. Papa is er aan bezig’, zei mama.

Na de begrafenis begon mijn vader een stevig hek te bouwen. Zo kon de hond niet meer ontsnappen. En ik heb nooit meer op het kerkhof gespeeld.

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 6.632 andere volgers