Ik nam mijn mobiele telefoon uit mijn handtas. Keek hoe laat het was. 16.10u. 1 gemiste oproep. Ik beluisterde de oproep. Het was mijn docent. Hij zei iets over een stoomtrein die voorbij reed en slagbomen, en tien minuutjes later. Op de achtergrond hoorde ik inderdaad een locomotief, en iets wat op het spuwen van rook geleek. De trein ging luid, en in stukjes, mijn docent verhief zijn stem. Dzjoekedzjoeke – dzjoekedzjoeke. Het is een geluid dat je tegenwoordig niet meer hoort. Heb ik het eigenlijk ooit gehoord? Of alleen maar van horen zeggen? Geen hond die het weet.
“Oke,” zei ik tegen mezelf, “het gaat niet goed met de NMBS.” Ik ging verder met wachten. Spoelde een paar vragen uit mijn kop.
Twintig minuten later kwam mijn docent de trap op. Hij leek een beetje buiten adem. Ik stopte mijn spel (de voegen tussen de tegels niet raken met mijn voeten, maar toch zo snel mogelijk de muur aan het einde van de gang proberen tikken. Over en weer. Over en weer. En nog een keer). We gingen een kamer binnen. De docent excuseerde zich.
“Treinen en de dood, het zijn dingen waar we geen vat op krijgen,” suste ik.
“Ja,” zei hij. Toen ging hij aan het rommelen. Ik vroeg of hij iets zocht.
“Een balpen,” zei hij.
“Ik heb er één.” Dat was nieuw.
“Ja, anders ga ik nog wel even door met zoeken, of vraag ik er een aan Isabel van het secretariaat, ik…”
“Hier is een balpen,” zei ik.
“Dankje,” zei de docent, “dankje, maar hoe krijg je nu die balpen terug? Ik zal de balpen aan Isabel geven en dan kan je er morgen…”
“Nee,” zei ik. Ik was kordaat. Ik ben anders nooit kordaat. In elk gesprek ben ik het twijfelende ingrediënt. “Nee, meneer de docent, deze balpen mag je houden.”
“Maar heb je dan niet…”
“Nee,” zei ik nogmaals, “het is geen Lamy, het is er eentje uit de Colruyt. Ik heb er zo duizenden liggen thuis (gelogen). Het geeft niet (niet gelogen). Doe maar.” Ik wipte twee keer met de balpen in zijn richting.
“Ok,” zei hij, “bedankt.”
Toen deden we van docentje en studentje.
Hij vroeg mij dingen, ik antwoordde. Het ging over de axenroos van Cuvelier.
“Noem mij 1 aspect binnen soepelheid, krachtdadigheid en eenvoud en geef er een korte persoonlijke uitleg bij,” zei hij. (voor het verhaal is het niet belangrijk die termen te kennen, breek er je kop niet over, lieve lezer, het is nergens voor nodig. Ik weet eigenlijk zelf niet goed waarom ik dit nu zo schrijf).
“Wakkerheid,” zei ik. Ik deed mijn uitleg. Naarmate mijn vertelselkens vorderden, begon de docent zich meer op zijn gemak te voelen. Ik kon het zien aan de manier waarop hij met mijn balpen omging: eerst nog onzeker, de balpen tussen zijn vingers draaiend. Aan het einde van vraag twee zat het achterste van de pen al in zijn mond. “Ja,” dacht ik. “Zo is het goed. Zo gaat het beter. Alweer een kilometer.”
Het was een goed gesprek. Zo eentje waarvan je gelooft dat je met een gelijke aan het praten bent. We waren elkaar waard. Dat vond ik een fijne gedachte. Hij noemde me ‘sociaal fijngevoelig’. Ook dat vond ik fijn.
Achteraf vroeg hij of ik hem een cola kon halen uit de automaat. Hij stopte me een stuk van 1 euro en 4 stukken van 20 cent in mijn handen.
“Hoeveel kost dat, een cola? 70 cent? 80 cent? 1 euro?” vroeg hij.
Ik zei dat ik het niet wist. “1 euro,” gokte ik. En daarna: “een gewone cola? Gewoon, met al die suiker, alles erop en eraan?” Je kan het niet aflezen van mensen hun gezicht. Mijn beste vrienden bleken van die Zero-jeanetten te zijn.
“Ja,” zei hij, “alles erop en eraan.”
De cola kostte 70 cent. Het gaat goed met de multinationals en hun rol in onze economie. Lage kosten, prijzen drukken, dat soort bullshit. Ja, ze doen het goed, dat mocht maar weer eens blijken.
Morgen ga ik een balpen kopen. Ook dat is goed voor de economie.