archiveren

Maandelijks archief: april 2010

Gisteren met de fiets naar Barbra. Aan het verdwalen, uiteraard aan het verdwalen.
Ik vraag de weg. Eén keer, twee keer, aan nog iemand anders. Niemand weet de Tarbotstraat zijn.

Deus ex machina: een oude lelijke man met een geruite trolley.
Oude lelijke mannen met geruite trolley’s kennen al-tijd de weg; die lopen niet ver, die blijven in hun eigen buurt.

Ik doe hem stoppen. Glimlach ongevaarlijk.
“Meneer, weet u waar de Tarbotstraat is?”
“De WEH”
“De Tarbotstraat!”
“De Zelfmoordstraat?”
Ik kijk hem aan. Hij kijkt mij aan. Wat scheelt eraan, lelijke oude man, wil ik vragen. Moet ik u in huis nemen? Zijt ge eenzaam misschien? Wilt ge mij iets vertellen? Lukt het niet meer, jong? Is het genoeg geweest? Zullen we samen de euthanasiewetgeving eens googlen? He, wat denkt ge ervan? Ik kijk even naar de grond en dan weer naar hem. Hij heeft zijn linkeroor wat meer in mijn richting gedraaid.
“Ja, de zelfmoordstraat!” zeg ik. Het experiment domineert de beleefdheid af en toe. “Weet u die zijn?”
Hij trekt zijn wenkbrauwen op en zijn mondhoeken naar beneden.
“Ghoh,” zegt hij, “nee jong, meiske.” En dan: “Gaat het niet goed met u? Wilt ge mij iets vertellen misschien?”
Ik kijk hem aan. Hij kijkt mij aan. Zo blijven wij nog wel even staan.

Ik droomde dat ik een koekje at. Tijdens het kauwen vielen mijn tanden uit. Zomaar, ineens. De dokter zei dat ik te veel en te hard op mijn tanden beet. Door de druk van mijn kaken waren er drie tanden verbrijzeld. Ik had de stukjes op een glazen tafel uitgespuwd. Ze kletterden tegen elkaar en tegen het glas. Ik voelde met mijn vinger over mijn tandvlees, over de plaatsen waar tot voor kort mijn tanden hadden gezeten. Het tandvlees was week, maar had scherpe randjes; niet alle tanden waren volledig afgebrokkeld.

Het probleem met mijn dromen is dat ze altijd zo helder en gedetailleerd zijn. Dat maakt het moeilijk om de fictie van de feiten te onderscheiden. Het leuke aan mijn dromen is dat ik ze af en toe in een andere richting kan sturen. Ik ging met mijn tandloze smoel op pad.

Er was een kraakpand, ik ging naar binnen. In het midden van de ruimte stonden twee stapelbedden tegen elkaar geschoven. Er lag een man in. Ik ging naast hem liggen. De matrassen waren smerig, maar dat gaf blijkbaar niet. In het schemerdonker keken we een beetje naar elkaar. Dat voelde best prettig. Volgens mij waren mijn tanden ondertussen ook terug gegroeid. Toen klom er een Russische op het laddertje. Ze was jong, misschien net meerderjarig.
“Are you young,” vroeg de man.
“Yes,” zei de Russische.
“Are you blonde,” vroeg de man.
“Yes,” zei de Russische.
Toen duwde de man haar hoofd naar beneden. Ik stond op en sprong van het bed.

Ik werd wakker. Ik stak mijn vinger in mijn mond. Al mijn tanden zaten nog waar ze moesten zitten. Beneden googlede ik “droom + tanden uitvallen”. Ik kwam op een website terecht met een paarse achtergrond en sterren en een halve maan en krullerige letters. De mevrouw van de website zei: dromen dat je tanden uitvallen wil zeggen dat er iemand uit je omgeving ziek is, dat jij ziek bent/wordt of dat er iemand gaat sterven.

“Russisch meisje + pijpen” daarentegen, kon de mevrouw niet verklaren. Ik gok: niemand uit je omgeving is ziek, jij bent niet ziek, je wordt het ook niet en iedereen leeft nog lang en gelukkig.

Ik nam mijn mobiele telefoon uit mijn handtas. Keek hoe laat het was. 16.10u. 1 gemiste oproep. Ik beluisterde de oproep. Het was mijn docent. Hij zei iets over een stoomtrein die voorbij reed en slagbomen, en tien minuutjes later. Op de achtergrond hoorde ik inderdaad een locomotief, en iets wat op het spuwen van rook geleek. De trein ging luid, en in stukjes, mijn docent verhief zijn stem. Dzjoekedzjoeke – dzjoekedzjoeke. Het is een geluid dat je tegenwoordig niet meer hoort. Heb ik het eigenlijk ooit gehoord? Of alleen maar van horen zeggen? Geen hond die het weet.
“Oke,” zei ik tegen mezelf, “het gaat niet goed met de NMBS.” Ik ging verder met wachten. Spoelde een paar vragen uit mijn kop.

Twintig minuten later kwam mijn docent de trap op. Hij leek een beetje buiten adem. Ik stopte mijn spel (de voegen tussen de tegels niet raken met mijn voeten, maar toch zo snel mogelijk de muur aan het einde van de gang proberen tikken. Over en weer. Over en weer. En nog een keer). We gingen een kamer binnen. De docent excuseerde zich.
“Treinen en de dood, het zijn dingen waar we geen vat op krijgen,” suste ik.
“Ja,” zei hij. Toen ging hij aan het rommelen. Ik vroeg of hij iets zocht.
“Een balpen,” zei hij.
“Ik heb er één.” Dat was nieuw.
“Ja, anders ga ik nog wel even door met zoeken, of vraag ik er een aan Isabel van het secretariaat, ik…”
“Hier is een balpen,” zei ik.
“Dankje,” zei de docent, “dankje, maar hoe krijg je nu die balpen terug? Ik zal de balpen aan Isabel geven en dan kan je er morgen…”
“Nee,” zei ik. Ik was kordaat. Ik ben anders nooit kordaat. In elk gesprek ben ik het twijfelende ingrediënt. “Nee, meneer de docent, deze balpen mag je houden.”
“Maar heb je dan niet…”
“Nee,” zei ik nogmaals, “het is geen Lamy, het is er eentje uit de Colruyt. Ik heb er zo duizenden liggen thuis (gelogen). Het geeft niet (niet gelogen). Doe maar.” Ik wipte twee keer met de balpen in zijn richting.
“Ok,” zei hij, “bedankt.”

Toen deden we van docentje en studentje.

Hij vroeg mij dingen, ik antwoordde. Het ging over de axenroos van Cuvelier.
“Noem mij 1 aspect binnen soepelheid, krachtdadigheid en eenvoud en geef er een korte persoonlijke uitleg bij,” zei hij. (voor het verhaal is het niet belangrijk die termen te kennen, breek er je kop niet over, lieve lezer, het is nergens voor nodig. Ik weet eigenlijk zelf niet goed waarom ik dit nu zo schrijf).

“Wakkerheid,” zei ik. Ik deed mijn uitleg. Naarmate mijn vertelselkens vorderden, begon de docent zich meer op zijn gemak te voelen. Ik kon het zien aan de manier waarop hij met mijn balpen omging: eerst nog onzeker, de balpen tussen zijn vingers draaiend. Aan het einde van vraag twee zat het achterste van de pen al in zijn mond. “Ja,” dacht ik. “Zo is het goed. Zo gaat het beter. Alweer een kilometer.”

Het was een goed gesprek. Zo eentje waarvan je gelooft dat je met een gelijke aan het praten bent. We waren elkaar waard. Dat vond ik een fijne gedachte. Hij noemde me ‘sociaal fijngevoelig’. Ook dat vond ik fijn.

Achteraf vroeg hij of ik hem een cola kon halen uit de automaat. Hij stopte me een stuk van 1 euro en 4 stukken van 20 cent in mijn handen.
“Hoeveel kost dat, een cola? 70 cent? 80 cent? 1 euro?” vroeg hij.
Ik zei dat ik het niet wist. “1 euro,” gokte ik. En daarna: “een gewone cola? Gewoon, met al die suiker, alles erop en eraan?” Je kan het niet aflezen van mensen hun gezicht. Mijn beste vrienden bleken van die Zero-jeanetten te zijn.
“Ja,” zei hij, “alles erop en eraan.”

De cola kostte 70 cent. Het gaat goed met de multinationals en hun rol in onze economie. Lage kosten, prijzen drukken, dat soort bullshit. Ja, ze doen het goed, dat mocht maar weer eens blijken.
Morgen ga ik een balpen kopen. Ook dat is goed voor de economie.

Mijn docent psychologie stond op de mezzanine in het nieuwe gebouw, met zijn armen wijd steunend op de leuning.
“Ja, hier is het dan,” zei hij.
“Ja,” sprak ik. Ik keek naar boven.
“Nu kan je met de trap naar boven komen of met de lift.”
“Ja,” zei ik. Was dit een valstrik? Nu al? Wat had die man een dramatische look over zich, zo van beneden uit bekeken. Wat moeten kikkers wel niet over ons denken. En katten. En honden. HAMSTERS! Dat soort onzin (onzin over dieren, ik die nooit aan dieren denk, nooit) begon door mijn kop te malen.
“Ben je lui, of ben je ‘t niet,” zei hij.
Was dit mijn geweten? Hallo? Heb ik te veel in de zon gelopen? Heb ik het te warm? Adem ik wel? Kikkerdril?
“Ik neem de trap,” zei ik.

Het lokaal was heet als de hel, maar de vragen lagen me wel.
Op weg naar huis leek het alsof er 25 hamsters van mijn schouders waren gesprongen. Of katten! Of honden!

(Ik ben van het soort dat de dingen moeilijk van zich af kan zetten)

In mijn cursus psychologie gaat het over de ontwikkeling van de kindertekening, de verschillende fasen (van de krabbelperiode tot volkomen zelfstandigheid, van kopvoeters over kubistisch denken naar juxta positie en… de rest). Ik wilde wel eens weten hoe dat met mijn kopvoeters zat, en dus ging ik aan het graven in een kartonnen doos die geen bodem scheen te hebben.
Wat trof ik daar aan?
Mijn rapport van het eerste leerjaar.
Wat stond daar te lezen?
(zie scan)
Wat heb ik hieruit geleerd?
Ik kán het. Ik gá ervoor. Wanneer oh wanneer draag ik nog eens een versje voor?

Bedankt voor het geloof, meester Patrick.

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 6.636 andere volgers