Examen (maar eigenlijk: Iets over dieren)
Mijn docent psychologie stond op de mezzanine in het nieuwe gebouw, met zijn armen wijd steunend op de leuning.
“Ja, hier is het dan,” zei hij.
“Ja,” sprak ik. Ik keek naar boven.
“Nu kan je met de trap naar boven komen of met de lift.”
“Ja,” zei ik. Was dit een valstrik? Nu al? Wat had die man een dramatische look over zich, zo van beneden uit bekeken. Wat moeten kikkers wel niet over ons denken. En katten. En honden. HAMSTERS! Dat soort onzin (onzin over dieren, ik die nooit aan dieren denk, nooit) begon door mijn kop te malen.
“Ben je lui, of ben je ‘t niet,” zei hij.
Was dit mijn geweten? Hallo? Heb ik te veel in de zon gelopen? Heb ik het te warm? Adem ik wel? Kikkerdril?
“Ik neem de trap,” zei ik.
Het lokaal was heet als de hel, maar de vragen lagen me wel.
Op weg naar huis leek het alsof er 25 hamsters van mijn schouders waren gesprongen. Of katten! Of honden!