De Tarbotstraat.
Gisteren met de fiets naar Barbra. Aan het verdwalen, uiteraard aan het verdwalen.
Ik vraag de weg. Eén keer, twee keer, aan nog iemand anders. Niemand weet de Tarbotstraat zijn.
Deus ex machina: een oude lelijke man met een geruite trolley.
Oude lelijke mannen met geruite trolley’s kennen al-tijd de weg; die lopen niet ver, die blijven in hun eigen buurt.
Ik doe hem stoppen. Glimlach ongevaarlijk.
“Meneer, weet u waar de Tarbotstraat is?”
“De WEH”
“De Tarbotstraat!”
“De Zelfmoordstraat?”
Ik kijk hem aan. Hij kijkt mij aan. Wat scheelt eraan, lelijke oude man, wil ik vragen. Moet ik u in huis nemen? Zijt ge eenzaam misschien? Wilt ge mij iets vertellen? Lukt het niet meer, jong? Is het genoeg geweest? Zullen we samen de euthanasiewetgeving eens googlen? He, wat denkt ge ervan? Ik kijk even naar de grond en dan weer naar hem. Hij heeft zijn linkeroor wat meer in mijn richting gedraaid.
“Ja, de zelfmoordstraat!” zeg ik. Het experiment domineert de beleefdheid af en toe. “Weet u die zijn?”
Hij trekt zijn wenkbrauwen op en zijn mondhoeken naar beneden.
“Ghoh,” zegt hij, “nee jong, meiske.” En dan: “Gaat het niet goed met u? Wilt ge mij iets vertellen misschien?”
Ik kijk hem aan. Hij kijkt mij aan. Zo blijven wij nog wel even staan.
Mooi! Kom je snel langs om te kletsen en plannen te maken?
Ja, we regelen dat na mijn laatste examen, het staat al in mijn agenda!
Fraai stuk Eva. Mooi hoe het zich ontwikkelt, dat beiden hetzelfde denken. Goed einde. Alleen zou ik in de laatste zin ‘wel’ verplaatsen naar achter ‘nog’. Maar misschien is dit het verschil tussen Nederlands en Vlaams.
misschien niet je bedoeling, maar ik moest luidop lachen. in mijn eentje. ik lach nooit luidop in mijn eentje.