Naar aanleiding van een brief aan iemand die een speelplaats achterlaat.
“Zo zie ik het, geloof ik:
Als kind werd je tussen de lessen naar de speelplaats gestuurd. Die plek leek je zo groot en belangrijk, omdat het je wereld was. Hier, op deze speelplaats, werd gebabbeld, gespeeld en het beest uitgehangen. En toen kwam je op De Grote School, en toen leek die speelplaats van de lagere school plots zo ver en klein en onbelangrijk. Dít was je wereld, híer werd gebabbeld, híer werd gespeeld en het beest uitgehangen. En dan kom je op Sint-Lucas. Op een Echte Grote School. Met een echte grote speelplaats, veel aan de hand, iedereen hier is gek. De jongens uit je klas hebben al baarden en je praktijkdocenten proberen de meisjes uit je klas te neuken. Wow. Dít is een belangrijke plek. Híer moet je zijn. Híer is er wat aan de hand. Hier wordt gepraat over belangrijke zaken en het beest tenminste echt uitgehangen.
Maar ook die speelplaats laat je achter je, en dan kom je weer op een andere speelplek terecht. Het zal misschien niet zo’n afgebakende speelplaats zijn, met een juf die toezicht houdt en een bel die gaat als het tijd is, maar je zal er ook kunnen spelen, en babbelen, en je zal denken: dít, hier en nu, wat hier nu gebeurt, wow. Hier moet ik zijn en nergens anders. Dit is mijn plek.
Zolang je dat gevoel hebt, is het goed. Heb je ‘t niet, dan zijn er nog altijd 1.209.444 andere speelplaatsen om te ontdekken. Denk daar aan.”




