Archief

Maandelijks archief: april 2010

Naar aanleiding van een brief aan iemand die een speelplaats achterlaat.

“Zo zie ik het, geloof ik:

Als kind werd je tussen de lessen naar de speelplaats gestuurd. Die plek leek je zo groot en belangrijk, omdat het je wereld was. Hier, op deze speelplaats, werd gebabbeld, gespeeld en het beest uitgehangen. En toen kwam je op De Grote School, en toen leek die speelplaats van de lagere school plots zo ver en klein en onbelangrijk. Dít was je wereld, híer werd gebabbeld, híer werd gespeeld en het beest uitgehangen. En dan kom je op Sint-Lucas. Op een Echte Grote School. Met een echte grote speelplaats, veel aan de hand, iedereen hier is gek. De jongens uit je klas hebben al baarden en je praktijkdocenten proberen de meisjes uit je klas te neuken. Wow. Dít is een belangrijke plek. Híer moet je zijn. Híer is er wat aan de hand. Hier wordt gepraat over belangrijke zaken en het beest tenminste echt uitgehangen.

Maar ook die speelplaats laat je achter je, en dan kom je weer op een andere speelplek terecht. Het zal misschien niet zo’n afgebakende speelplaats zijn, met een juf die toezicht houdt en een bel die gaat als het tijd is, maar je zal er ook kunnen spelen, en babbelen, en je zal denken: dít, hier en nu, wat hier nu gebeurt, wow. Hier moet ik zijn en nergens anders. Dit is mijn plek.

Zolang je dat gevoel hebt, is het goed. Heb je ‘t niet, dan zijn er nog altijd 1.209.444 andere speelplaatsen om te ontdekken. Denk daar aan.”

De afgelopen maanden experimenteerde ik nogal met kleurpotlood, photoshopkleuren en de combinatie van de twee. Ik moet toegeven dat dat vaak naar niet veel leek. Photoshopkleuren maken de boel soms zo dood.
Bij deze, afgelopen week gemaakt, vond ik dat het plots allemaal wel leek te passen:

Detail:

Dit is een filmpje waar ik altijd ongelooflijk triestig van word. Vooral wanneer dat vogeltje niest in de handen van dat jongetje en dat jongetje niest terug. Of die man met zijn snor, die zijn vrouw zo fier door de deur draagt. Of die knuffelende oude mensen. Of die papegaaien op die arm. Of die jongen die valt van dat skateboard en zijn schaafwonde toont. Daar word ik nog het verdrietigst van, van die schaafwonde, en dat het al zo lang geleden is dat ik nog eens een goeie schaafwonde heb gehad. Zo een met een groene korst die je ervan krabt en spaart in een potje. Ik spaarde mijn korsten in een potje. Als kind geloofde ik dat alles wat ik opraapte (of afkrabde) ook door mij geconserveerd moest worden, anders werd het opgeraapte triestig en was de kosmos uit evenwicht. Daar heb ik nog wel eens een stukje over geschreven, maar dat stukje, een vrij briljant stukje, mag niet worden gepost omdat er over mensen wordt gesproken die het concept artistieke vrijheid niet begrijpen. But then again: die mensen lezen wellicht nooit een weblog… laat staan het mijne…dus. Ach nee. Ik zou het stukje ook moeten zoeken, want ik ben niet meer zo’n verzamelfreak als vroeger. Hoe dat dan weer komt wordt uitgelegd in… het stukje. Anyway: een groene korst die jeukt als duizend korsten samen, het is 5 jaar geleden dat ik er nog eens zo eentje heb gehad. Ik fietste als een gek met mijn minifiets naar huis (honger!), reed niet loodrecht genoeg het voetpad op, knalde over mijn stuur en schuurde met elleboog en knie over de tegels. Wat een korsten! Wat een vreugd! Het water in de knie en de zwarte plekken nam ik er met veel plezier bij.

Aah. Korst. Wat een pracht van een woord is me dat. Die ‘k’ laat het kraken, die ‘r’ klinkt zo groen als het groen van een prachtige korst en dan eindigt dat woord ook nog op zo’n wansmakelijke ‘st’. K-O-RST. (krabkrab). Als ik denk aan het woord word ik op slag terug vrolijk.

Je kent dat wel. Je plakt al vijf uur onder het voorwendsel Ziek! op de bank. Je hebt je lief nog net een kus kunnen geven voor hij de deur uitging. Eén zoen ging nog net. Eén zoen meer en je was van uitputting in elkaar gestort. Zo ziek ben je dus, of denk je dat je bent. Je oksels ruiken naar doodsangst, want, jaja, je blijft een hypochonder, ook al ben je ziek, ook al ben je bijna dood. Je bent wie je bent. Je vloekt omdat je moet pissen, maar je hebt geen bedpan. Niemand ziet in hoe ernstig het is. Je sleept je van de bank, naar de wc, je doet je ding, je sloft terug naar de bank, laat je op de bank vallen, trekt een deken over je hoofd. En niemand die ziet hoe ernstig het is. Dat is nog het ergste van al.
Je kent het, ik weet zeker dat je het kent.

God, wat is dit stukje slecht geschreven. Ziekte vormt geen excuus voor slecht geschreven stukjes. Wacht, ik probeer het even opnieuw. Dus:

Ik lag op de bank, zo ziek als een hond, met oksels geurend naar doodsangst. Een lauw geworden washandje op mijn voorhoofd. Alleen, heel zielig, niemand die mijn doodsstrijd kon volgen. Niemand om me voorzichtig het scala aan mogelijkheden van euthanasie uit te leggen. Niemand om me vast te nemen en te zeggen, te smeken, te zuchten dat het wel weer goed komt, dat ik moet geloven, dat het

Jezus. Kan het nog slechter. Mevrouw van de regie, kan dit stuk nog slechter gaan? Kan… Kan het? Oh, oh okee, ja, het kan. Oke, bedankt, ja. Ik probeer het nog even opnieuw.
Dus:

Ik lig op de bank. Ziek.
Stink. Lauw washand op de kop.
Alleen thuis.
Ken je ‘t?

okee, je kent het dus, daar ga ik nu maar even gemakshalve van uit. En dan komt nu eigenlijk wat ik wilde vertellen, want dat ziek zijn is slechts de omkadering, een beetje lekkere sfeerschepping, een beetje in de stemming komen, lekkerrr introotje schrijven. Wat nu volgt is de clou, het einde, het waarom, ik geef het u. Nu:

Je ligt op die bank, rustig. Dood te gaan. Je hoort een schreeuw. Je denkt: een confrater. Iemand deelt mijn leed, iemand kreunt haar doodsstrijd weg, iemand is er gewoon nog slechter aan toe dan ik, iemand. Oh. God. Oh mijn God nog aan toe. De buurvrouw komt klaar.

Mouton en Hendrix haten het leven en dan vooral het leven achter de eenzame schrijftafel met uitzicht op het beregende raam. Schrijven is ploeteren.
Gelukkig glooit er een zacht licht, daar in de verte.
Het licht van sterren (liefst stralend en/of falend) op de roddelpagina’s, maar ook het licht van de schemerlampen van de huizen tegenover en de wandlampen van de kroeg. De tl-balken van de buurtkapper.

Roept u vrolijk met ze mee?
Hoezee! We maken niks mee!

Klik: Mouton & Hendrix achter de Sansevieria’s. Gij zult het u niet beklagen.

dat een mens blij is dat hij niet meer dagelijks op Sint-Lucas, Hogeschool voor Wetenschap (?) en Kunst moet zijn. Vandaag is zo’n dag. Vandaag ben ik dankbaar, dankbaar dat ik mijn diploma in handen heb.

Dat komt hierdoor:

Ik moest illustraties scannen in het printlokaal. Het lukte niet: die scanner sneed telkens vijf centimeter van mijn tekening af. De mevrouw van het printlokaal had al laten verstaan dat ze heel veel werk had, en uit de rij wachtenden kon ik afleiden dat dat niet gelogen was. Ik zocht mijn heil bij de jongen met de zwarte bril die naast me zat (jongens met zwarte brillen doen al-tijd grafische vormgeving, of iets wat daar op lijkt).
“Jongen”, zei ik.
“Ja.”
“Weet jij hoe het komt dat mijn tekening niet volledig op het scherm staat?”
“Nee, ik doe reclame.”
“Ok.”

“Nee, ik doe reclame.” Wat nou? Net omdat je reclame doet, hoor je zulke dwaasheden te weten. Ik gaf hem het voordeel van de twijfel (misschien was het een eerstejaars?) en gooide een begrijpende glimlach naar hem, zo’n glimlach die wil zeggen dat alles ooit op een dag wel goed met hem zou komen. Ooit, maar nu nog even niet, begrijp je dat, liefste jongen? Ik lonkte naar de rij. Die was nog altijd even lang.

Een groepje van twee meisjes en een lange jongen die eruitzag als een meisje werd aangesproken. Dezelfde vraag.
“Nee”
“Ok. Maar jullie doen toch grafische vormgeving?”
“Ja,” zei de lange jongen die eruitzag als een meisje, blijkbaar ook de woordvoerder van de groep, “maar wij hebben nog nooit gescand.” Hij maakte hierbij een armbeweging die me moest laten inzien dat ik minder was dan hem haar. Ik vond eigenlijk niet dat ik minder was dan hem haar, dus zei ik:
“Ja, maar jullie doen grafische vormgeving.” Toen liep ik naar de rij. Aanschuiven moest ik doen, er zat niets anders op. De lange jongen die eruitzag als een meisje zei: “Excuuuuuse me.” De echte meisjes lachten. Mijn ooglid begon een beetje te trillen.

Drie uur later was de hele zwik ingescand. Ik mocht naar huis, ik liep in de zon, de jongen die eruitzag als een meisje had nog een uur of drie op school te slijten. Met die gedachte kon ik wel leven.

Volg

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 4.130 other followers