Speech in Alumnikrant Sint-Lucas
Sinds jaar en dag zijn er voor de afgestudeerden aan Sint-Lucas twee proclamaties: een officiële met veel drank in juni en een iets minder officiële een jaar later in april, met nog veel meer drank.
Op de minder officiële proclamatie mocht ik speechen. Die speech verscheen deze maand in de alumnikrant van Sint-Lucas. Je kan ‘m onder de foto’s nalezen.
Speechen is een daad die dient uitgevoerd door vaders. Ik weet dus niet echt hoe het moet. Maar goed, alles is moeilijk. Alles is altijd moeilijk. Daarom wil ik dit ook wel eens proberen.
Here goes:
Twee weken geleden haalde mijn moeder een kartonnen doos van de zolder. Geen mens weet waarom zij plots het laddertje uit onze grootste gemene deler, de herinnering, trok. Ik geloof dat het iets met acuut ‘legenest’sentiment had te maken. Feit is dat de doos plots op onze keukentafel stond. Er zat een onafwendbare middag van appelcake, stof en geblader aan te komen.
De doos werd met een bijna plechtig traag gebaar door moeders handen opengemaakt.
Er kwamen pakken tekeningen uit mijn kleuter- en lagereschooltijd te voorschijn.
Goed. Het had ook een van mijn talrijke saaie verzamelingen kunnen zijn. Briefpapier bijvoorbeeld, nooit gebruikt en netjes in plastic mapjes gestopt om te kunnen ruilen met de meisjes van mijn klas. Of trollen met fluohaar, flippo’s, stenen mollenbeeldjes en ander goed dat een kind als ik moest doen geloven dat het allemaal zo slecht nog niet ging met deze wereld. En dat ik erbij hoorde – dat ik er bijhoorde! – zolang ik maar het meeste had van iets. Jaja, ik was een verlegen kind dat zich lichtjes schaamde om haar afkomst: mijn papa was al grijs en droeg altijd werkkleren en mijn mama hield niet van Hitbox volume 3, een cd die ik wél in de living van klasgenoten had zien staan.
Alleszins, het was dus niets van dit alles. Het waren tekeningen. Doodgewone tekeningen.
Als kind was het zo vanzelfsprekend geweest. Na het eten sprong ik op de schoot van mijn moeder en begon ik te tekenen. Die handeling (van hap, slik, spring, schoot, stift) zat er ingebakken als was het voorgeprogrammeerd van bij mijn geboorte. Dat dit fenomeen later op losse schroeven zou komen te staan, was mij toen nog niet duidelijk.
Herinnering: de directrice van mijn schooltje liet me op een keer van de speelplaats plukken. Ik moest een tekening maken voor op het schoolkrantje. Toen ik klaar was, was mij 1 ding duidelijk: Het was een pracht van een tekening, echt één voor op de voorbladen van schoolkranten, daar was geen twijfel over mogelijk. In de verte knipoogde reeds The New York Times.
Het lijkt wel alsof je tijdens de zwangerschap zelfvertrouwen krijgt toegedient, samen met andere voedingsstoffen via je navelstreng en dat dit rantsoen alleen nog maar kan slinken, van zodra de vroedvrouw je heeft losgeknipt. Als kleuter barst het zelfvertrouwen nog uit je. Tijdens je Samsonjaren begin je wat voorzichtiger met je bonnetjes om te gaan, alsof je onbewust toch al iets vermoedt. Vanaf de puberteit staan je boten opeens op droog zand en moet je het lef hebben om terug die driewieler op te kruipen. Zo is het, geloof ik, bij mij gegaan, zo is het op Sint-Lucas, met de nodige dramatiek tot gevolg, gegaan en zo gaat het nog steeds.
Daarom ben ik blij dat ik in die zoektocht naar mijn driewieler ben gesteund door een aantal docenten. Er waren er natuurlijk ook die er niet in geloofden, of maar half, of maar een heel klein beetje, maar dat geeft achteraf gezien allemaal niet zo. Daar word je sterk van, ofzo. Dat ons – ehm, zou ik het woord gebruiken, kan ik het over mijn lippen krijgen, ik heb het er nog steeds moeilijk mee, maar ach, dit is er eentje voor de sport. Dus, dat ons onderzoek altijd in een proper, netjes geordend atelier kon gebeuren, hadden we te danken aan het onderhoudspersoneel en de werkmannen. De concierge liet ons, de schamele keren dat dit gebeurde, langer werken en de directie kneep soms een oogje toe bij ondelibereerbare punten. Bedankt, bedankt. Ook het secretariaat, bedankt, om niet al te raar op te kijken wanneer wij onze studentenkaarten pas in februari kwamen ophalen. En ook aan alle mensen van de werkplaatsen en Marc Den Drukker: bedankt. Jullie hebben ons werk beduidend lichter gemaakt.
Alleszins, Wat wij vandaag moeten doen is: niet al te veel tijd in speeches steken, maar samen kartonnen dozen opheffen, verschuiven, het stof ervan blazen, ze openmaken en bij ons derde, vierde, of vijfde glas wijn lallen dat onze studententijd toch de schoonste tijd van ons leven was, dat het nooit meer terugkomt en dat wij spijt hebben dat wij a. er te weinig van hebben geprofiteerd of b. er te veel van hebben geprofiteerd. En morgen de dozen weer op zolder zetten, maar dan in het zicht, zodat ze gemakkelijk weer geopend kunnen worden. En dan: tekenen of schilderen of ontwerpen of houwen of maken of vormgeven of schieten of filmen of draaien of tappen dat het een lieve lust is. Voor de kater wil een asperine al wel eens helpen. Santé.


