archiveren

Maandelijks archief: juli 2010

Deze week verscheen het zomernummer van literair tijdschrift Deus Ex Machina. Voor de gelegenheid werd het omgedoopt tot de Deus Ex Vagina. Ehh, ja, het betreft een vrouwennummertje. Klik op de illustraties voor grotere versies!

In mijn rubriek Literaire Wijven geef ik een lijst met handige tips om een geloofwaardig literair wijf te worden:

Karmisch experte Hanneke Hendrix stelde voor ons een Zwoele Zomerhoroscoop op. Ik tekende er een aantal prenten bij (hier een selectie):




En ik maakte een illustratie bij een essay van Vrouwkje Tuinman over Enid Blyton, de Britse kinderboekenschrijfster:

Ik voelde me nog nooit zo positief gediscrimineerd.

Ik lig op mijn rug, zweef met open armen met de deining van het water mee. Een alg met ambitie, een wachtende met zorgen. Ik denk: wanneer komt mijn walvis? Zal hij mij kunnen vinden? Ik kan hier niet weg, ik hang vast, alles hangt van hem af.

Er klotst een geut water over mijn gezicht. Het deert niet. Ik wacht; veel meer dan dit is er niet. Water en de ongeruste hunkering.

’t Is wel een heel groot zwembad, zo een van twaalf op dertig meter. Misschien zwemt de groep van mijn walvis wel op baan twee en dit is vijf. Dan word ik nooit opgegeten, dan sterf ik hier van ouderdom. Als wier dat toevallig breekt en bruint en aanspoelt op de kindervoet. Die schudt, gooit me af op een strand, pletst voort. Een sigaret wordt op me uitgedoofd.

Het water is koud, en dan weer warm. Alles komt in golven. Nu is het iets van tussenin. Mijn gezicht is alweer bijna droog. Ik kijk omhoog. Het plafond telt zesendertig maal tweeënvijftig tegels.

Wie wil dat nu? Sterven van de ouderdom? Dat is toch geen doodgaan, dat kan toch onmogelijk iemands betrachting zijn? Afsterven, dat is het bijna. Dat wil ik niet. Heengaan wil ik, in de illusie van betekenis. Er zullen op mijn sterfdag honderden andere algen worden opgevreten, maar dat geeft niet. We dansen op het maagsap van mijn walvis, een laatste feest, vooraleer we worden opgesplitst in groepen: de een wordt bloed, de ander een stukje spier of vel.

Een man springt in ’t water. Bommetje! Zijn golf doet mij tollen, ik beland op mijn buik. Het plafond wordt bodem, er zijn luchtbelletjes en trappelende benen met haar op. Alles is nat. Alles begint weer van voor af aan.

Stel dat ik de walvis nooit had gekend, dan was ik zonder verlangen. Dan was mijn leven er een van zweven en staren en tollen. Zolang ik vrees voor mijn leven, heb ik een functie. Zolang de walvis in aantocht is, ben ik levend.

De badmeester is boos, want hij roept en hij zwaait en hij blaast op zijn fluitje. Hij trekt mij hardhandig uit het water. Zoiets mag ik nooit meer doen, hoor je, ga nu maar naar huis. Zijn grote hand duwt mijn lijf naar de kleedkamers toe. Maar eerst nog het voetbad! Maar eerst nog een douche!

Ik kijk om: de man van het bommetje zwemt nog een baantje. Verder: niets. Geen walvis te bespeuren.

Iemand moest het doen en dit keer was het mijn beurt. Dat had mijn vader zo bepaald. Ik rechtte mijn rug, legde mijn grasgroene sjaal over de leuning van een ouderwets gebloemd zeteltje en draaide me om. Deed twee stappen, stopte toen. Over mijn schouder keek ik nog eens naar mijn pa, die zich ondertussen half achter de trap had weten te verschuilen. Hij draaide met zijn ogen en wuifde me met zijn grote hand naar mijn bestemming, zoals hij zeventien jaar geleden ook had gedaan toen hij me leerde fietsen. “Kom op, niet bang zijn, je kan het best. Maar ga nu snel.” Dat handje. Ik stapte op een cirkel rolwagens af en liet mijn ogen een vijftiental witgrijze kopjes monsteren. Allemaal vrouwen met ingelegde krullen, rokken tot onder de knie en bloesjes in de schreeuwerigste kleuren. Het maakte mijn job er niet gemakkelijker op. Where is Waldo voor gevorderden, iets van die aard leek het wel.

“Dat doet goed hé, madame Verbruggen,” riep een jonge verpleegster – ze moet ongeveer mijn leeftijd zijn geweest- naar een vrouw die zich half slapend een voetbadje liet welgevallen. De rest van het rolwagenpark zat te praten, te lachen of te wachten op vijf minuten in het plastic bakje. In de verste en meteen ook donkerste hoek van de kale polyvalente zaal vond ik mijn oma. Ze droeg een framboosroze gilet over een met paarse, witte en groene vlekjes bespikkelde blouse. Ze zag er goed uit, maar lachtte niet, praatte niet en volgens mij had ze haar badje al lang gehad. Haar duim en wijsvinger streken over haar onderlip, een daad waar ik haar op betrapte wanneer ze plots mijn naam of verjaardag niet meer wist. “Vergeetachig”, noemde mijn vader het: “ons oma begint nu toch wel wat te vergeten hé. Maar gezien haar leeftijd valt het wel allemaal nogal mee.” Dan knikte ik verwoed.
Zou mijn oma op dit moment de verjaardagen van haar kleinkinderen aan het opzeggen zijn, om haar geheugen te trainen? Ik vroeg het me af. Of zou het gewoon leeg zijn in haar hoofd: een groen weiland waar af en toe een wolk in de vorm van een vlinder of een ander geluidloos dier passeert? Ik wist het niet en zou het ook niet meer te weten komen. Zij behoorde tot de laatste generatie van zwijgers: ik had haar nooit op een radicale mening, een onbeleefde opmerking of een uiting van haar diepste gevoelens betrapt. Bovendien was het, op die eerste echte lentedag in maart (toen ik mijn oma uit die bejaardencirkel laveerde en hen intussen met een rood aangelopen hoofd toevertrouwde dat ik madame Moutons allerliefste kleinkind was) de laatste keer dat ik haar levend zag.

(Op zondag 11 april 2010 presenteerde Museum Jan Cunen (Oss) in samenwerking met Literair Productiehuis de Wintertuin, het literair feest de Ingreep 2010. op die dag werd de winnaar gekozen van de schrijfwedstrijd die verbonden was aan de tentoonstelling Wolkendeken van Paul de Reus. Amateurschrijvers konden tot enkele weken terug een gedicht of verhaal insturen. Een vakjury van de Wintertuin beoordeelde 30 ingezonden gedichten en kort verhalen uit Nederland en België.
De 22- jarige Eva Mouton uit Gent (België) werd gekozen als de winnaar van de Ingreep 2010 met het kort verhaal ‘Een groen weiland waar af en toe een wolk in de vorm van een vlinder of ander geluidloos dier passeert’.
Op de tweede plaats staat Frouke Arns uit Malden met het gedicht ‘Landloper’ en de derde plaats is voor Mart van der Hiele uit Ede met het gedicht ‘Vrij spel’.)

‘Als ik blind was en ook doof en ik had geen gevoel in mijn vingertoppen, zou ik dan de citroen proberen breken en het ei willen persen?’ vroeg Oona zich luidop af. Ze liet het ei over de keukentafel rollen. Een eend, waggelend naar de oever van de rivier, bedacht ik. Springen / nog wat brood pikken. Ik zette een glas in de kast, nam een bord van het afdruiprek. De afwas is een zekerheid. De afwas die staat altijd klaar. ‘Vroeger bestond mijn verdriet niet echt’, zei ik. ‘Toen was ik alleen, toen was jij nog niet hier. Alles was minder dramatisch.’ De citroen viel op de grond, stuiterde verder. Oona leek te ontwaken. Alleszins, ze keek naar mij.

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 6.520 andere volgers