Een groen weiland waar af en toe een wolk in de vorm van een vlinder of een ander geluidloos dier passeert.

Iemand moest het doen en dit keer was het mijn beurt. Dat had mijn vader zo bepaald. Ik rechtte mijn rug, legde mijn grasgroene sjaal over de leuning van een ouderwets gebloemd zeteltje en draaide me om. Deed twee stappen, stopte toen. Over mijn schouder keek ik nog eens naar mijn pa, die zich ondertussen half achter de trap had weten te verschuilen. Hij draaide met zijn ogen en wuifde me met zijn grote hand naar mijn bestemming, zoals hij zeventien jaar geleden ook had gedaan toen hij me leerde fietsen. “Kom op, niet bang zijn, je kan het best. Maar ga nu snel.” Dat handje. Ik stapte op een cirkel rolwagens af en liet mijn ogen een vijftiental witgrijze kopjes monsteren. Allemaal vrouwen met ingelegde krullen, rokken tot onder de knie en bloesjes in de schreeuwerigste kleuren. Het maakte mijn job er niet gemakkelijker op. Where is Waldo voor gevorderden, iets van die aard leek het wel.

“Dat doet goed hé, madame Verbruggen,” riep een jonge verpleegster – ze moet ongeveer mijn leeftijd zijn geweest- naar een vrouw die zich half slapend een voetbadje liet welgevallen. De rest van het rolwagenpark zat te praten, te lachen of te wachten op vijf minuten in het plastic bakje. In de verste en meteen ook donkerste hoek van de kale polyvalente zaal vond ik mijn oma. Ze droeg een framboosroze gilet over een met paarse, witte en groene vlekjes bespikkelde blouse. Ze zag er goed uit, maar lachtte niet, praatte niet en volgens mij had ze haar badje al lang gehad. Haar duim en wijsvinger streken over haar onderlip, een daad waar ik haar op betrapte wanneer ze plots mijn naam of verjaardag niet meer wist. “Vergeetachig”, noemde mijn vader het: “ons oma begint nu toch wel wat te vergeten hé. Maar gezien haar leeftijd valt het wel allemaal nogal mee.” Dan knikte ik verwoed.
Zou mijn oma op dit moment de verjaardagen van haar kleinkinderen aan het opzeggen zijn, om haar geheugen te trainen? Ik vroeg het me af. Of zou het gewoon leeg zijn in haar hoofd: een groen weiland waar af en toe een wolk in de vorm van een vlinder of een ander geluidloos dier passeert? Ik wist het niet en zou het ook niet meer te weten komen. Zij behoorde tot de laatste generatie van zwijgers: ik had haar nooit op een radicale mening, een onbeleefde opmerking of een uiting van haar diepste gevoelens betrapt. Bovendien was het, op die eerste echte lentedag in maart (toen ik mijn oma uit die bejaardencirkel laveerde en hen intussen met een rood aangelopen hoofd toevertrouwde dat ik madame Moutons allerliefste kleinkind was) de laatste keer dat ik haar levend zag.

(Op zondag 11 april 2010 presenteerde Museum Jan Cunen (Oss) in samenwerking met Literair Productiehuis de Wintertuin, het literair feest de Ingreep 2010. op die dag werd de winnaar gekozen van de schrijfwedstrijd die verbonden was aan de tentoonstelling Wolkendeken van Paul de Reus. Amateurschrijvers konden tot enkele weken terug een gedicht of verhaal insturen. Een vakjury van de Wintertuin beoordeelde 30 ingezonden gedichten en kort verhalen uit Nederland en België.
De 22- jarige Eva Mouton uit Gent (België) werd gekozen als de winnaar van de Ingreep 2010 met het kort verhaal ‘Een groen weiland waar af en toe een wolk in de vorm van een vlinder of ander geluidloos dier passeert’.
Op de tweede plaats staat Frouke Arns uit Malden met het gedicht ‘Landloper’ en de derde plaats is voor Mart van der Hiele uit Ede met het gedicht ‘Vrij spel’.)

About these ads

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log Out / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log Out / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log Out / Bijwerken )

Verbinden met %s

Volg

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 3.919 other followers

%d bloggers like this: