Zolang de walvis in aantocht is.
Ik lig op mijn rug, zweef met open armen met de deining van het water mee. Een alg met ambitie, een wachtende met zorgen. Ik denk: wanneer komt mijn walvis? Zal hij mij kunnen vinden? Ik kan hier niet weg, ik hang vast, alles hangt van hem af.
Er klotst een geut water over mijn gezicht. Het deert niet. Ik wacht; veel meer dan dit is er niet. Water en de ongeruste hunkering.
’t Is wel een heel groot zwembad, zo een van twaalf op dertig meter. Misschien zwemt de groep van mijn walvis wel op baan twee en dit is vijf. Dan word ik nooit opgegeten, dan sterf ik hier van ouderdom. Als wier dat toevallig breekt en bruint en aanspoelt op de kindervoet. Die schudt, gooit me af op een strand, pletst voort. Een sigaret wordt op me uitgedoofd.
Het water is koud, en dan weer warm. Alles komt in golven. Nu is het iets van tussenin. Mijn gezicht is alweer bijna droog. Ik kijk omhoog. Het plafond telt zesendertig maal tweeënvijftig tegels.
Wie wil dat nu? Sterven van de ouderdom? Dat is toch geen doodgaan, dat kan toch onmogelijk iemands betrachting zijn? Afsterven, dat is het bijna. Dat wil ik niet. Heengaan wil ik, in de illusie van betekenis. Er zullen op mijn sterfdag honderden andere algen worden opgevreten, maar dat geeft niet. We dansen op het maagsap van mijn walvis, een laatste feest, vooraleer we worden opgesplitst in groepen: de een wordt bloed, de ander een stukje spier of vel.
Een man springt in ’t water. Bommetje! Zijn golf doet mij tollen, ik beland op mijn buik. Het plafond wordt bodem, er zijn luchtbelletjes en trappelende benen met haar op. Alles is nat. Alles begint weer van voor af aan.
Stel dat ik de walvis nooit had gekend, dan was ik zonder verlangen. Dan was mijn leven er een van zweven en staren en tollen. Zolang ik vrees voor mijn leven, heb ik een functie. Zolang de walvis in aantocht is, ben ik levend.
De badmeester is boos, want hij roept en hij zwaait en hij blaast op zijn fluitje. Hij trekt mij hardhandig uit het water. Zoiets mag ik nooit meer doen, hoor je, ga nu maar naar huis. Zijn grote hand duwt mijn lijf naar de kleedkamers toe. Maar eerst nog het voetbad! Maar eerst nog een douche!
Ik kijk om: de man van het bommetje zwemt nog een baantje. Verder: niets. Geen walvis te bespeuren.
Fan!
Zware inhoud, maar luchtig om te lezen! Zeer mooi! Ik zag je deze week in de Focus en herkende je van Kunstbende (al een eind geleden), ik denk dat jij het was waarmee ik toen op het podium prijzen mocht afhalen. Ik heb er nog een foto van. Congrats!