Ik heb de allermooiste plaat van Ray Lamontagne opgelegd en lig onder een deken te huilen op de bank. Bert heft een van mijn benen op en komt onder, tussen en ook wat naast me zitten (het is een hele kleine bank met heel veel kussens en heel veel ikke).
‘Wat scheelt er?’ vraagt hij.
‘Ik ben triestig,’ jammer ik. ‘Ik ben echt heel triestig.’
Mijn lief aait een stuk ikke waar deken over ligt. Dat hebben wij zo afgesproken. Geen kussen, geen vel op vel en ook geen lange knuffels. Hij geeft me een zakdoek.
‘Ik vind het niet meer leuk. Iedereen lacht er mee,’ snotter ik.
‘Ja maar het is ook wel een beetje grappig,’ zegt mijn lief.
‘Dat het een kinderziekte is, maakt me niet minder ziek. Ik voel me echt heel zielig nu,’ zeg ik.
‘Je hebt jezelf De Brigade van Het Boerenomelet gedoopt’, zegt mijn lief. Hij glimlacht.
‘Dat was gisteren. Vandaag ben ik de ziekste. En de zieligste. De allerzieligste van de hele wereld,’ zeg ik. ‘En die handdoeken vouwen zichzelf niet op.’ Diep vanbinnen mis ik mijn mama. Ik denk aan vroeger, aan hoe ik niet stiekem aan mijn werk moest denken als ik ziek was en me gewoon heel erg op het genezen kon concentreren. Ik huil nog een beetje. Ik doe een luchtkusje naar Bert. Hij doet er twee terug.




