archiveren

Maandelijks archief: december 2010

Dit is mijn agenda. Ik heb het beplakt. Er zijn flatgebouwen en zeppelins.

In januari was er nog niet zoveel. Een deadline voor Lkwadraat. Het begin van een dieet dat Grandioos moest worden maar al in maart mislukte. Mijn examens voor de lerarenopleiding leren. Een laat nieuwjaarsfeest. Uitgestelde boodschappen in de Bioplanet.

Toen ging mijn konijn dood. Het was van de ouderdom dus dat was mooi. Ik herinner me dat het sneeuwde. Zijn pootafdrukken bleven nog een paar dagen in dat wit gedrukt staan. Mijn mama begroef Kobe in de, pardon: zijn tuin. Dag Kobe, huppel in vrede.

In februari en maart werkte ik 22 dagen als suppoost in De Witte Zaal. De tentoonstelling bestond uit een volledig witte ruimte, verlicht met TL-buizen. Mijn taak was: streepjes zetten wanneer er mensen waren. Ik heb maar weinig streepjes moeten zetten. Er waren veel mensen die een voet binnen zetten, dan hun wenkbrauwen optrokken en meteen weer weg gingen. Die verdienden geen streepje. Er waren ook mensen die zeiden ‘hier is niets zenne!’ of ‘er hangt niets op!’ of ‘niets te zien!’ en dan weg gingen. Ook voor hen haalde ik mijn pen niet meer boven.

Ik verveelde me, dagenlang. Ik begon te denken dat het om een medisch experiment ging en dat ik de rat van dienst was. Ik hoopte dat mijn verveling toch een hoger doel zou dienen. Ik zocht camera’s. Ik vond er geen.

Ik herinner me dat ik soms naar de wc ging en dan wc-papier in stukjes scheurde en op de grond gooide. Gewoon omdat ik me moest afreageren.

Om de twee dagen kwamen de twee kunstenaars langs met galeristen die uitriepen dat ‘hun vraagstelling echt gewéldig was’. De kunstenaars zeiden dat ik meer reclame moest maken voor het boek (20 euro). Ze grapten dat ik mijn job niet goed deed en gaven me een schouderklopje. Als ze weg waren rende ik naar de wc. ‘Postmoderne mindfucksssss’, siste ik in de spiegel. Rond mijn mond werd het wit.

Na Pasen stelde Dimitri Antonissen zijn bundel ‘Schrap me’ voor in Amsterdam. Daar sprak ik voor het eerst met Ivo Victoria. Ik was zenuwachtig, want we schreven toen al liefdesbrieven aan elkaar en ik wilde niet dat Zijn Hele Idee Over Mij werd aangetast door een vreemde gewoonte of een vieze lach en dat hij dan niet meer kon schrijven want tenslotte moet je je het toch een béétje kunnen inbeelden en dat gaat niet bij iemand die je walgelijk vindt. Dénk ik.

We werden met z’n allen dronken. Ik ging naar de wc. Toen ik mijn handen aan het wassen was, hoorde ik iemand in het café vragen aan Bertos of hij het niet erg vond, van die brieven. Of hij niet jaloers was. ‘Het is haar werk’, antwoordde hij, ‘ze wordt daar voor betaald. Bovendien hebben we het op voorhand besproken.’ Ik heb dat antwoord nog tegen veel mensen moeten herhalen. Ze reageerden allemaal hetzelfde: ze knikten, en in hun ogen las ik een mengeling van bezorgdheid en ik geloof je niet maar ach je bent nog jong wat zou het.

In mei moest ik leren. Didactiek. Agogiek. Psychologie. Het waren de eerste mooie lentedagen. Bertos en ik gingen veel schommelen of gooien met een bal in het Baudelopark. Daarna kon ik weer leren.

Ik ben écht geen student. Ik haat leren. Ik word er depressief van.

Ik verveelde me zo hard dat ik mijn blog om de drie uur een update gaf. Kijk, dat was dan wel weer mooi.

Waaiweek in Nijmegen. Met ons collectief dat geen collectief wil zijn.
‘We moeten echt een kantoor’, zei mevrouw Hendrix. We zeiden allemaal ‘JA’.

Bertos en ik stonden in stilte te wachten op de trein naar huis. Allebei doodop. Hij zei: ‘we moeten hier komen wonen.’ Ik zei: ‘ja’. We moesten een bus nemen want de trein tussen Roosendaal en Essen reed niet en er was ook omleiding. Na vijf uur reizen waren we thuis. We hebben die avond niet veel meer gezegd. De hele week niet, eigenlijk. We misten alles wat we in Nijmegen achter hadden moeten laten. Behalve de gestampte muisjes, die was ik eerlijk gezegd misschien wel een tikkeltje beu gegeten.

In juli volgde ik rijlessen. Patrick was mijn leraar.
Knack Focus kwam uit in de week van mijn laatste rijles. Ik nam het tijdschrift mee en liet het fier aan Patrick zien. Hij vond het tof. Hij las een aantal stukjes luidop voor.

In de auto vroeg hij: ‘als jij me zou moeten vergelijken met een dier, met welk dier zou dat dan zijn?’ Ik probeerde op de weg te letten en de vraag een beetje te omzeilen door oneliners door de auto te gooien die betrekking hadden op zijn karakter. ‘Ik denk dat je wel van financiële zekerheid houdt, want je hebt twee jobs’ of ‘je bent een trouw persoon want je praat veel over je vrouw’ en ook ‘toch schuilt er wat zenuwachtigheid in jou, dat merk ik aan je rookgedrag.’ ‘Klopt’, antwoordde Patrick. En dan: ‘voorrang van rechts!’

Aan het einde van de les vroeg Patrick of ik zin had in koffie. Hij zou mij naar zijn stamcafé laten rijden. Dat vond ik een goed plan. We stopten aan een tankstation. ‘Voila, dat is nu mijn stamcafé zie’, zei hij. Ik kreeg een flesje water en hij dronk koffie uit een kartonnen beker. We stonden in de zon. Hij sprak over zijn leven, over sparen en zijn volgende grote aankoop. Een HD-tv.

Er waren weken waarin er weinig gebeurde, maar die weken waren schaars. Tijdens zulke weken hernam ik mijn Grandioos Dieet. In augustus ging ik zwemmen. Toch zeker een keer of drie, in het oude zwembad aan de Rozenbroeken (Sint-Amandsberg). De ramen stonden open. Er waren werken buiten. Er waaide stof in het zwembad.

Er waren vijf Turkse kinderen, vijf redders en ik. Ik lag op mijn rug en bedacht iets over een walvis en algen. Die tekst werd later een eenakter en opgevoerd op het Wintertuinfestival. Ik ging onder water. Tien kinderbeentjes trappelden aan de overkant. Aan de diepe kant. Br, dacht ik.

Dit was een drukke week.

Het hoogtepunt van het jaar: de geboorte van mijn petekindje.
Mijn trein had zeven minuten vertraging. De zeven langste minuten van mijn leven.
Hij was heel klein en ik durfde hem niet uit zijn bedje nemen dus vroeg ik het eerst aan mijn zus. ‘Natuurlijk’, zei ze. We lachten en weenden allemaal samen. ‘Dag Miro’, zei ik. Daarna was ik een hele tijd stil.

Herinner je je nog dat popje in Tik Tak vroeger? Zo’n doorzichtig popje dat een rietje in een glas limonade stopt, ervan drinkt en zelf langzaam wordt gevuld met limonade, tot hij helemaal oranje ziet? Zo voel ik mij als ik Miro in mijn armen heb. Tot over mijn oren.

Ik werkte heel hard voor Kapitein Winokio, er waren literaire festivals, een interview met HUMO en toen kreeg ik de windpokken. Ik deed tien dagen niets. Ik lag gewoon in de zetel. Zelfs mailen deed ik niet. Sommige mensen stuurden gewoon hun mail nog een keer op, om weinig subtiel te zeggen ‘he trut, mail een keer terug’. Dus mailde ik terug. Crowdpleaser die ik ben.

Hier hernam ik nog eens mijn dieet.

En dit is het einde van 2010.

Er kwamen mensen bij.
Er kwamen mensen terug.
Ik herontdekte oude vrienden.
Danku, oude vrienden, echt.

Daag 2010. Je was een goed jaar. Misschien zelfs wel het beste.

Uit de folder: ‘Kapitein Winokio zingt 10 broodnodige liedjes’ is een eerste uitgave in een nieuwe reeks meezingboekjes waarbij kijken, zingen, (voor)lezen luisteren en zelf spelen één geheel vormen. ‘Kapitein Winokio zingt 10 broodnodige liedjes’ herbergt pareltjes uit het Grote Leven van kleine kinderen en hun ouders. Het is een feel good-meezingboekje voor het hele gezin en het sluit perfect aan bij de missie van Kapitein Winokio: kinderen en ouders samen laten genieten. Samen met de muziek van Kapitein Winokio spelen de illustraties en cursiefjes van Eva Mouton een hoofdrol in dit blijspel over het familiale leven van iedere dag.

Ofte: YAY EEN BOEKKKKKKKKKKKKKKK. (voor kindjes vanaf 4 jaar)
Nee echt: YAAAAYYYYY. (midden maart in de winkels)

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 6.636 andere volgers