Vanaf vandaag, de honderdste verjaardag van Annie M.G. Schmidt, verschijnt hier heel onregelmatig een korte anekdote. Een herinnering aan de oma die de rode draad spon door mijn kindertijd.
Ik was acht toen ik meedeed aan een voordrachtwedstrijd van het Davidsfonds.
De avond speelde zich af tegen de goedkope houten lambrisering van het parochiaal centrum in het dorp. Ik herinner me dat mijn mama de auto van de buren had geleend want wij hadden maar één auto en die gebruikte mijn papa om naar Mortsel te rijden, waar hij les gaf op vrijdagavond. Mijn zus en ik mochten een pakje chips en nog een en er was ook cola maar ik dronk water want anders liet ik misschien een boertje op het podium straks en dat zou natuurlijk verschrikkelijk zijn. Mijn juf was hier. En ook de directeur en er was zelfs een reporter van de regionale krant. Ze zaten allemaal aan een belangrijke tafel achteraan in de zaal en staken hun duimen op naar mij telkens ik langs kwam rennen.
Het was echt een hele speciale avond.
Bijna zo speciaal als mijn eerste communie of toen ik Maria mocht spelen op het kerstfeest en Stefan was Jozef en alle meisjes waren jaloers. Mijn buik deed pijn en ik was ook verdrietig en stil. Waarom had ik mijn hand opgestoken toen de juf had gevraagd wie er mee wilde doen? Waarom wilde ik dat podium op? Wat had ik toch te bewijzen? Kon ik niet beter zoals de rest van de wereld naar een tv-programma met Felice kijken? Het was toch vrijdagavond zeker?
Miljoenen kinderen kropen het podium op en weer af en ik werd steeds banger. Toch moest ik sterk zijn. Voor mijn zus, die mijn uren van repeteren zonder morren had aanhoord. Voor mijn mama, die de auto van de buren had geleend. Voor mijn juf, die niet naar Felice keek. Voor mijn papa, die zich zeker niet kon concentreren op zijn les. En natuurlijk ook voor die reporter van de regionale krant. Waar moest die drommel zijn krant mee vullen als ik niet schitterde als de grootste fonkelster ter wereld?
Ik stond op het podium en kon niemand zien. Enkel Jezus, achteraan in de zaal, groen verlicht door de pijl die nooduitgang aanwees. Knipoogde hij net naar mij? In de verte hoorde ik een chipszak kraken. Iemand zette mijn microfoon op de juiste hoogte. Alles ging precies zoals ik het had gerepeteerd.
‘Ik ben lekker stout,’ zei ik, ‘van Annie M.G. Schmidt’
‘Ik wil niet meer, ik wil niet meer (twee keer een vuist op een denkbeeldig tafelblad)
Ik wil geen handjes geven. (vinger die nee doet en andere hand die een handje geeft)
Ik wil niet zeggen elke keer:
Jawel mevrouw, jawel meneer (zeurtoontje)
Nee, nooit meer in mijn leven. (kordaat)
Ik houd mijn handen op mijn rug (handen op mijn rug)
En zeg lekker niets terug.’ (terug kordaat)
‘Tweede couplet,’ dacht ik in mezelf. ‘Retteketet. Ik ga als een speer!’
‘Ik wil geen vieze havermout, (vies gezicht)
Ik wil geen tandjes poetsen! (roepen, want: een uitroepteken)
‘k Wil lekker knoeien met het zout, (zoutzak uitschuddend gebaar)
ik wil niet aardig zijn, maar stout! (kordaat)
en van de leuning roetsen (arm maakt roetsgebaar)
en schipbreuk spelen in de teil
en ik wil spugen op het zeil’ (spuugmondje)
Toen stopte het. Zomaar. Ineens. Alsof ik niet meer mocht van mijn geweten. Jezus grinnikte. Zijn groen lichtje knipperde.‘Maar ik wil wel nog,’ zei ik stil, ‘eigenlijk wil ik wel nog. Het is een gedicht van Annie M.G. Schmidt. Ik heb dit niet geschreven.’
Het jaar nadien deed ik iets van Roald Dahl en werd ik tweede.
