Maandelijks archief: mei 2011
Kapitein Winokio en Eva Mouton zingen over echte zeemannen.
Kapitein Winokio en Eva Mouton doen hun eigen dingetje.
Zonnedekens
Ik maakte een logo voor de non-profit organisatie ‘Zonnedekens’, waar mijn tante en tientallen andere lieve vrijwilligers zich voor inzetten. Van op hun facebook:
“Gelukkig zijn de meeste kinderen gezond. Ze kunnen spelen, naar school gaan en zijn niet ziek. Helaas is er ook een grote groep kinderen die lijdt aan een chronische of ernstige ( soms levensbedreigende ) ziekte. Deze kinderen komen in aanmerking voor een zonnedeken. Ze kunnen er lekker onder wegkruipen als ze zich niet lekker voelen. We hopen dat ze mooie dromen onder dit deken hebben en dat het hen troost biedt zodat ze even worden afgeleid van pijn en verdriet. De dekens worden gemaakt door vrijwilligers en worden kosteloos geschonken.”
Armoe troef!: ‘De autoluchtmobiel’
(Geschreven bij ‘Gastvrijheid voor vreemdelingen’ van Gustave Van de Woestyne, 1920, in opdracht van MSK Gent voor Erfgoeddag 2011.)
Als we ons vervelen, verzinnen we grote verhalen. Mijn broer en ik. Over een buitenaardse olifant die in ons dorp neerdaalt en ons zo snel van zijn slurf laat glijden dat we –hopsa!- een grote stad zoals Gent in vliegen. En wat we daar dan zouden doen. Snoep eten tot we misselijk zijn. In een speelgoedwinkel blijven slapen. Of twintig afleveringen van F.C. De Kampioenen kijken.
Want wij wonen in een saai dorp. Iedereen die hier geboren wordt, blijft. En er komt ook nooit iemand bij van buitenaf. ‘Lekker gezellig,’ zegt mijn mama. Iedereen kent elkaar en als je een citroen nodig hebt maar de Colruyt is dicht dan zijn er altijd wel buren die je wat kunnen lenen. Gezellig, gezellig. We hebben zelfs geen burgemeester of politiemensen nodig. Hier gebeurt toch nooit wat.
‘Saai,’ zegt mijn broer.
‘Saai,’ zucht ik terug. En we bedenken weer een volgend verhaal.
Maar vorige maand veranderde alles plots. We hadden pedagogische studiedag. Dan hoef je niet naar school. Mijn broer en ik verveelden ons natuurlijk dood. We deden kopstand en bedachten een stom verhaal over Tony De Hotdogfretter. Ineens ging de bel. We sprintten naar de deur. Mijn broer was er eerst. Hij opende de deur.
Er stond een man die we nog nooit hadden gezien. Hij droeg een sjaal en een hoed en een knapzak op zijn rug.
‘Dag kinderen,’ zei hij met een gek, krakend stemmetje,’ ik ben nonkel Koen uit Amerika. Ik heb mijn autoluchtmobiel op jullie dak geparkeerd en zou nu wel een glaasje cola zonder prik lusten. Mag ik binnen komen?’ Hij giechelde. Mijn broer en ik riepen tegelijk onze papa.
Onze papa keek naar de man. Zijn mond viel open van verbazing.
‘Koen?’ vroeg hij. En nonkel Koen uit Amerika knikte. Ze vielen in elkaars armen en zeiden ‘broer, broerke toch.’
Onze nonkel had tijdens de oorlog moeten vluchten naar Amerika omdat hij een uitvinder was. Pas twintig jaar na het einde van de oorlog was het veilig genoeg voor hem om terug te komen. Met zijn zelfgebouwde autoluchtmobiel.
Sinds hij bij ons woont is alles anders. Als we ons vervelen, mogen mijn broer en ik stiekem met de autoluchtmobiel naar Gent. Dan parkeren we op het dak van een school of een museum en eten we snoep tot we misselijk zijn. Of kijken we naar twintig afleveringen van F.C. De Kampioenen. We zijn wel nog nooit in een speelgoedwinkel blijven slapen.
‘Dat komt er wel nog eens van,’ fluistert onze nonkel. Hij giechelt. En drinkt nog een glaasje cola zonder prik.
Kapitein Winokio en Eva Mouton zingen ‘Broodnodig’.
(Haha, eindelijk gevonden hoe je youtube filmpjes op een blog kan zetten.)
Armoe troef!: ‘De Tombola’
(Geschreven bij ‘Oud echtpaar’ van Eugène Laermans, 1915, in opdracht van MSK Gent voor Erfgoeddag 2011.)
Het was heel lang geleden. Er waren nog geen huizen met beige bakstenen. Of blauwe voordeuren met gele klinken. En er stonden ook nog geen kabouters of minimolens in de voortuinen. Ha nee! Want voortuinen waren er ook nog niet. Al die dingen moesten nog worden uitgevonden. Bijna honderd jaar geleden.
Op hun weg naar de kermis kwamen Moniekje en Emiel dus bijna geen huizen en geen mensen tegen. Hoogstens eens een bosje of een kerk. Want Jezus, die was natuurlijk wel al geboren. En ook al een paar keer dood gegaan. En telkens weer herrezen.
‘Brrr,’ zei arm Moniekje tegen haar man, ‘Waarom zijn we niet gewoon in ons huisje gebleven? We hadden nog een blok hout op het vuur kunnen gooien. En melk opwarmen met honing.’
‘Maar Moniekje,’ zei Emiel, ‘we hebben met onze laatste centen die dure lootjes voor de tombola gekocht. Als we vandaag niet naar de kermis gaan, missen we de hoofdprijs. Dan is onze aankoop voor niets geweest.’
‘De hoofdprijs! We hebben nog nooit iets gewonnen,’ hijgde Moniekje. Want het was niet gemakkelijk lopen in de sneeuw. Met al die zware kleren aan. En op die oude klompen.
Emiel plantte kordaat zijn stok in de sneeuw. ‘Ik voel het in mijn kleine teentjes dat we dit jaar zullen winnen. Immer voorwaarts, mars!’ Hij wees in de verte, naar de gekleurde vlaggen en joelende kinderen. De twee schuifelden supertraag en in stilte verder.
Doodmoe van al dat stappen kwamen het stokoude vrouwtje en mannetje aan in het dorp. Ze slenterden naar de grote tent en zagen mensen met een tuintafel, een gekke voddenpop, een onvolledig theeservies of twee kleine knoopjes naar buiten komen.
Moniekje en Emiel gingen de tent binnen. Op dat moment kwamen de burgemeester en zijn vrouw met de dikste vleeskoe ooit naar buiten. ‘We hebben de hoofdprijs gewonnen,’ kirde de vrouw. Ze had een dure bontjas aan en haar dat als een ingewikkelde boterkoek bovenop haar hoofd lag.
Emiel zijn mond viel open. De tombola was net afgelopen.
Binnenkort in Expozone Transit!
Zo af en toe misschien
Armoe troef!: ‘Vissenkop met frietjes’
(Geschreven bij ‘Kraam van een Visboer’ van Adriaen van Utrecht, 17de eeuw, in opdracht van MSK Gent voor Erfgoeddag 2011.)
Het was woensdag. Markiezin Van Dessel zat in haar paarse ribfluwelen stoel. Ze keek nors naar buiten. Naar haar pauwen. En de ganzen en het hangbuikzwijn. En naar de grote sproeifontein.
‘Altijd dezelfde beesten in dezelfde tuin,’ zeurde ze tegen het personeel. ‘Die gaan na een tijd ook vervelen. Had ik maar digitale tv. Of een Playstation Twee zoals gravin De Wilde.’ Ze zuchtte.
Het personeel werd al een beetje zenuwachtig. Want wanneer de markiezin zich verveelde, kreeg ze altijd zin in eten. Dan beval ze haar meiden om hele moeilijke recepten te maken. Kalkoen aan het spit met veenbessensaus of Kikkerbil met erwtjes. De knechten en meiden keken angstig naar elkaar.
‘Mmm druifjes,’ begon de markiezin. En hoppa, knecht 4 sprong recht en liep naar de boomgaard.
‘Of nee, nee, kippenboutjes met citroensaus.’ Meid 5 nam een mes en rende halsoverkop naar het kippenhok.
‘Of wacht, ik weet het, ik weet waar ik echt zin in heb vandaag!’ riep de markiezin.
‘Zeker weer beverstoemp,’ piepte meid 3 tegen de knechten, ‘en dat kan ik net niet goed.’
Maar het was geen beverstoemp. En ook geen kalkoen of kikkerbil. De markiezin had zin in vissenkop met frietjes. ‘En weten jullie wat?’ zei ze, ‘ik ga er gewoon zelf om op de markt. Dan kom ik nog eens onder de mensen. Want jullie weten, personeel, dat ik ondanks mijn succes en rijkdom altijd mezelf gebleven ben.’ Ze deed vastberaden haar fluwelen hakschoentjes aan, nam een gouden emmer van het schap en marcheerde naar buiten.
Al snel stond het dorp in rep en roer. ‘De markiezin komt naar buiten,’ schreeuwde het volk. ‘Ze gaat richting markt met een emmer!’ Vrouwen met kinderen, werkende mannen, bedelaars, nonnen en paters; iedereen dromde bijeen om haar te kunnen zien. Want de markiezin kwam alleen voor erg belangrijke zaken in het dorp.
Aan het kraam van visboer Eddy bleef ze staan. Het volk hield de adem in. ‘Visboer Eddy,’ zei de markiezin, ‘vul mijn emmer met vieze vissenkoppen.’ ‘Maar mevrouw de markiezin,’ stamelde de visboer, ‘heeft u niet liever iets anders? Iets verfijnds? Ik heb net verse haai en surimisalade pikant in mijn kraam. Heerlijke delicatessen voor een lelieblanke schoonheid als u.’
‘Vissenkop!’ gilde de markiezin. Ze rolde met haar ogen. ‘In vissenkop heb ik zin, dus vissenkop zal het zijn.’ Eddy slikte, sneed stiekem de mooiste vissenkoppen af en stak de gouden emmer vol. De oogjes van de markiezin fonkelden. Het volk had haar nog nooit zo gelukkig gezien.





