archiveren

Brieven

Dit is mijn agenda. Ik heb het beplakt. Er zijn flatgebouwen en zeppelins.

In januari was er nog niet zoveel. Een deadline voor Lkwadraat. Het begin van een dieet dat Grandioos moest worden maar al in maart mislukte. Mijn examens voor de lerarenopleiding leren. Een laat nieuwjaarsfeest. Uitgestelde boodschappen in de Bioplanet.

Toen ging mijn konijn dood. Het was van de ouderdom dus dat was mooi. Ik herinner me dat het sneeuwde. Zijn pootafdrukken bleven nog een paar dagen in dat wit gedrukt staan. Mijn mama begroef Kobe in de, pardon: zijn tuin. Dag Kobe, huppel in vrede.

In februari en maart werkte ik 22 dagen als suppoost in De Witte Zaal. De tentoonstelling bestond uit een volledig witte ruimte, verlicht met TL-buizen. Mijn taak was: streepjes zetten wanneer er mensen waren. Ik heb maar weinig streepjes moeten zetten. Er waren veel mensen die een voet binnen zetten, dan hun wenkbrauwen optrokken en meteen weer weg gingen. Die verdienden geen streepje. Er waren ook mensen die zeiden ‘hier is niets zenne!’ of ‘er hangt niets op!’ of ‘niets te zien!’ en dan weg gingen. Ook voor hen haalde ik mijn pen niet meer boven.

Ik verveelde me, dagenlang. Ik begon te denken dat het om een medisch experiment ging en dat ik de rat van dienst was. Ik hoopte dat mijn verveling toch een hoger doel zou dienen. Ik zocht camera’s. Ik vond er geen.

Ik herinner me dat ik soms naar de wc ging en dan wc-papier in stukjes scheurde en op de grond gooide. Gewoon omdat ik me moest afreageren.

Om de twee dagen kwamen de twee kunstenaars langs met galeristen die uitriepen dat ‘hun vraagstelling echt gewéldig was’. De kunstenaars zeiden dat ik meer reclame moest maken voor het boek (20 euro). Ze grapten dat ik mijn job niet goed deed en gaven me een schouderklopje. Als ze weg waren rende ik naar de wc. ‘Postmoderne mindfucksssss’, siste ik in de spiegel. Rond mijn mond werd het wit.

Na Pasen stelde Dimitri Antonissen zijn bundel ‘Schrap me’ voor in Amsterdam. Daar sprak ik voor het eerst met Ivo Victoria. Ik was zenuwachtig, want we schreven toen al liefdesbrieven aan elkaar en ik wilde niet dat Zijn Hele Idee Over Mij werd aangetast door een vreemde gewoonte of een vieze lach en dat hij dan niet meer kon schrijven want tenslotte moet je je het toch een béétje kunnen inbeelden en dat gaat niet bij iemand die je walgelijk vindt. Dénk ik.

We werden met z’n allen dronken. Ik ging naar de wc. Toen ik mijn handen aan het wassen was, hoorde ik iemand in het café vragen aan Bertos of hij het niet erg vond, van die brieven. Of hij niet jaloers was. ‘Het is haar werk’, antwoordde hij, ‘ze wordt daar voor betaald. Bovendien hebben we het op voorhand besproken.’ Ik heb dat antwoord nog tegen veel mensen moeten herhalen. Ze reageerden allemaal hetzelfde: ze knikten, en in hun ogen las ik een mengeling van bezorgdheid en ik geloof je niet maar ach je bent nog jong wat zou het.

In mei moest ik leren. Didactiek. Agogiek. Psychologie. Het waren de eerste mooie lentedagen. Bertos en ik gingen veel schommelen of gooien met een bal in het Baudelopark. Daarna kon ik weer leren.

Ik ben écht geen student. Ik haat leren. Ik word er depressief van.

Ik verveelde me zo hard dat ik mijn blog om de drie uur een update gaf. Kijk, dat was dan wel weer mooi.

Waaiweek in Nijmegen. Met ons collectief dat geen collectief wil zijn.
‘We moeten echt een kantoor’, zei mevrouw Hendrix. We zeiden allemaal ‘JA’.

Bertos en ik stonden in stilte te wachten op de trein naar huis. Allebei doodop. Hij zei: ‘we moeten hier komen wonen.’ Ik zei: ‘ja’. We moesten een bus nemen want de trein tussen Roosendaal en Essen reed niet en er was ook omleiding. Na vijf uur reizen waren we thuis. We hebben die avond niet veel meer gezegd. De hele week niet, eigenlijk. We misten alles wat we in Nijmegen achter hadden moeten laten. Behalve de gestampte muisjes, die was ik eerlijk gezegd misschien wel een tikkeltje beu gegeten.

In juli volgde ik rijlessen. Patrick was mijn leraar.
Knack Focus kwam uit in de week van mijn laatste rijles. Ik nam het tijdschrift mee en liet het fier aan Patrick zien. Hij vond het tof. Hij las een aantal stukjes luidop voor.

In de auto vroeg hij: ‘als jij me zou moeten vergelijken met een dier, met welk dier zou dat dan zijn?’ Ik probeerde op de weg te letten en de vraag een beetje te omzeilen door oneliners door de auto te gooien die betrekking hadden op zijn karakter. ‘Ik denk dat je wel van financiële zekerheid houdt, want je hebt twee jobs’ of ‘je bent een trouw persoon want je praat veel over je vrouw’ en ook ‘toch schuilt er wat zenuwachtigheid in jou, dat merk ik aan je rookgedrag.’ ‘Klopt’, antwoordde Patrick. En dan: ‘voorrang van rechts!’

Aan het einde van de les vroeg Patrick of ik zin had in koffie. Hij zou mij naar zijn stamcafé laten rijden. Dat vond ik een goed plan. We stopten aan een tankstation. ‘Voila, dat is nu mijn stamcafé zie’, zei hij. Ik kreeg een flesje water en hij dronk koffie uit een kartonnen beker. We stonden in de zon. Hij sprak over zijn leven, over sparen en zijn volgende grote aankoop. Een HD-tv.

Er waren weken waarin er weinig gebeurde, maar die weken waren schaars. Tijdens zulke weken hernam ik mijn Grandioos Dieet. In augustus ging ik zwemmen. Toch zeker een keer of drie, in het oude zwembad aan de Rozenbroeken (Sint-Amandsberg). De ramen stonden open. Er waren werken buiten. Er waaide stof in het zwembad.

Er waren vijf Turkse kinderen, vijf redders en ik. Ik lag op mijn rug en bedacht iets over een walvis en algen. Die tekst werd later een eenakter en opgevoerd op het Wintertuinfestival. Ik ging onder water. Tien kinderbeentjes trappelden aan de overkant. Aan de diepe kant. Br, dacht ik.

Dit was een drukke week.

Het hoogtepunt van het jaar: de geboorte van mijn petekindje.
Mijn trein had zeven minuten vertraging. De zeven langste minuten van mijn leven.
Hij was heel klein en ik durfde hem niet uit zijn bedje nemen dus vroeg ik het eerst aan mijn zus. ‘Natuurlijk’, zei ze. We lachten en weenden allemaal samen. ‘Dag Miro’, zei ik. Daarna was ik een hele tijd stil.

Herinner je je nog dat popje in Tik Tak vroeger? Zo’n doorzichtig popje dat een rietje in een glas limonade stopt, ervan drinkt en zelf langzaam wordt gevuld met limonade, tot hij helemaal oranje ziet? Zo voel ik mij als ik Miro in mijn armen heb. Tot over mijn oren.

Ik werkte heel hard voor Kapitein Winokio, er waren literaire festivals, een interview met HUMO en toen kreeg ik de windpokken. Ik deed tien dagen niets. Ik lag gewoon in de zetel. Zelfs mailen deed ik niet. Sommige mensen stuurden gewoon hun mail nog een keer op, om weinig subtiel te zeggen ‘he trut, mail een keer terug’. Dus mailde ik terug. Crowdpleaser die ik ben.

Hier hernam ik nog eens mijn dieet.

En dit is het einde van 2010.

Er kwamen mensen bij.
Er kwamen mensen terug.
Ik herontdekte oude vrienden.
Danku, oude vrienden, echt.

Daag 2010. Je was een goed jaar. Misschien zelfs wel het beste.

Oh oh oh! Er hebben in totaal 22 lieve mensen op de verjaardagsactie gereageerd! Jammer genoeg krijgen enkel de 10 snelsten een verrassing opgestuurd! Maar ach, ik ben zoveel jarig, dus er zullen wel nog acties komen ;).
Anyway: de 10 winnaars zijijijnnn:

Nadia
San F
Mart
Tim
Annelies
Geert
Joke
Sanne
Pieter
Maite

Proficiat! Volgende week zit er een verrassing in jullie brievenbus! :)

Liefste W. F.,

niet jaloers zijn.
Het is waar dat je nooit zo belangrijk voor me zal zijn als mijn echte lief, ik beken.

Maar jij bent degene die ik nog even vast neem in bed; voor ik me omdraai, mijn lief een zoen geef voor de nacht, me weer omdraai, de deken onder mijn kin nestel, mijn ogen sluit, me weer omdraai, mijn arm leg over mijn lief -zoals in de film-, besef dat ik zo niet kan slapen, dat film maar film is en dus niet echt, me weer omdraai, te veel deken weggraai, sorry zeg, deken teruggeef, me weer omdraai, ditmaal op mijn buik. Besef dat ik niet kan slapen, mijn lief even por om te kijken of hij al diep slaapt, natuurlijk slaapt hij al diep, het licht weer aanknip. Ik neem je weer bij mij, hou je in mijn handen tot het lief zich omdraait en wakker wordt door het licht, tot hij me tot de orde roept en zegt dat het te laat is om nog met andere mannen bezig te zijn. Dan schuif ik je weer aan de kant, met enige tegenzin, maar morgen ontmoeten we elkaar weer, beloofd.

Dus wees niet jaloers. 
Nog vierenvijftig pagina’s en jij verlaat me toch.

Liefs,

Eva

 
(Nooit meer slapen – Willem Frederik Hermans)

 

Beste Michaël A.,

toen wij elkander ontmoetten, afgelopen woensdag omstreeks 18.19u., viel uw persoon me vrijwel onmiddellijk op. U droeg een casual kakigroen hemd, met daarover een Viktor&Rolf kostuumvest. Over dit alles hing een lange zwarte -als ik me niet vergis lederen- trenchcoat gedrapeerd. Ik dacht: “gutjes, het is er een van dat slag.” Met dat slag bedoel ik:

een Kunstenaar die zich pas echt Kunstenaar waant als hij zich onder zijn lange zwarte jas bevindt, voor de au sérieux. Zo iemand die elke zin voor zelfrelativering kwijt is geraakt door het behalen van een aantal prijzen.

Maar ach, vrijwel onmiddellijk daarna bedacht ik dat vooroordelen hebben iets is voor diezelfde Kunstenaars, en dat ik mij ten allen tijde wil behoeden voor het mij in dit milieu verliezen. Daarom liet ik u aan het woord.

Plotsklaps begon u te lullen zoals enkel Kunstenaars dit kunnen. U had deelgenomen aan een project van Arteconomy, waarin u de bedienden van een textielbedrijf mee op stap nam in het Kunstenaar-zijn, om hen zo te laten losbreken uit hun alledaagse sleur. Het feit dat het hier ging om bedienden vond u niet onbelangrijk, want werken met arbeiders zou u te veel hebben vermoeid. Die gevallen waren er immers nog erger aan toe, en u wist niet of u wel een Serieus Gesprek met hen zou kunnen voeren. Wat u vrijwel meteen opmerkte was dat ongeveer al deze bedienden depressief waren. Dit kwam, vond u, door hun routine: opstaan, werken, koken, afwassen, soap kijken en gaan slapen. Dit was de bullshit waarmee deze mensen hun dagelijks leven opvulden. Mensen! Zeg ik mensen? U had het over ‘erge gevallen’, ‘de ergste gevallen’ en ‘de depressieven’. Ik wist niet dat kunstenaars psychologen waren, maar hier weid ik verder niet over uit. De manier waarop u over deze mensen praatte, was nogal denigrerend. Begrijp me niet verkeerd:

ik ben geen Geval dat de politiek correctheid van vandaag verdedigt. Ook ben ik geen feministe of politica die uit eigenbelang kakt op alles wat voor hen -vaak ten onrechte- denigrerend overkomt.

Ik stond in mijn mening namelijk niet alleen. Na afloop, op café, hoorde ik van mijn medeluisteraars dat zij met hetzelfde gevoel achterbleven; alsof u het had over mentaal gehandicapten die dringend Gered moesten worden. Kunstenaars horen geen arrogante missionarissen te zijn.

Wat u wel sierde was dat u dit project niet voor het geld deed. “Als ik een dag thuis blijf om een tekening te maken verdien ik namelijk meer dan mocht ik een paar uur naar het textielbedrijf gaan.” Barmhartig, dat wel, want u deed het bijna vrijwillig.

Na dit alles trok u uw trench weer aan en snelde u zelfverzekerd weg, want u had het waarschijnlijk druk, druk, druk.

Ik hoop u nooit meer te hoeven ontmoeten, maar steeds
met vriendelijke groeten,

Eva Mouton.

 

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 6.632 andere volgers