Maandag was het mijn verjaardag. Maar vrijdag gaf ik al een feestje voor de vrienden. Het zou een rustig feest worden, want we zijn net verhuisd en onze parket is heel mooi en de gordijnen ook en de keuken en eigenlijk is heel het huis gewoon prachtig dus we zouden coasters gebruiken en zorgen dat er geen bekers op de zetel stonden. ‘Bekers’, je leest het goed. Onze nieuwe glazen nog een beetje sparen.
Natuurlijk werd het een wild feest. Maar zonder ongelukken. Ik heb een vallende beker Aperol Spritz kunnen onderscheppen en die chocoladevlek op de zetel is er -halfuurtje wild frotten- bijna helemaal uit. Zaterdag hebben we een hele dag gepoetst en blonk het huis als nooit tevoren.
Zondag kwam mijn familie brunchen. Vroeg eruit, veel eten, chocoladevlekken van mijn petekind zijn smoeleke frotten. Samengevat:
Om een uur of vier wilde mijn moeder plots het water van de visbak verversen. Een zagerig ‘Maar allez, mama, dat méén je toch niet?’ hielp niet. Een kwartier later hingen mijn oma, moeder en ik over de pompbak gebogen. De vissen had mijn moeder even in een beslagkom op de tafel gezet. Party hardy. De vissen hoorden er helemaal bij:
Na het feest zag ik er zo uit:
Mijn keel kriebelde ook een beetje raar. Maar dat gaf niet, want de volgende dag (op mijn échte verjaardagsdag) vertrokken we naar zee. Daar konden we rusten! Daar konden we doodgaan! Maar eerst nog een aperitiefje, maar eerst nog een Kiekeboe-album gaan kopen in de supermarkt.
Gisteren ging ik naar de dokter. Ziek aan zee, balen. In de wachtzaal geraakte ik aan de praat met de vrouw die tegenover me zat. Ze zei dat ze drie keer ooglidkanker had overwonnen. “Ja, ooglidkanker. Ik had er ook nog nooit van gehoord. Maar het bestaat”, zei ze toen ze mijn gezicht zag. Ze glimlachte. Na tien minuten kwam de dokter binnen. Hij zei mijn naam. ‘Een ontstoken buis van Eustachius en opgezette klieren’ luidde het verdict. “Ok”, zei ik, “daar valt wel mee te leven.”
‘s Avonds wreef Bert over mijn gezicht. Hij haalde wat haar uit mijn ogen. “Ooglidkanker. Wist jij dat dat bestond?” vroeg ik. “Je kan het ook aan je slapen en je neusbeen krijgen.” Bert zweeg. Ik keek naar buiten. Het was zo mistig dat ik golven aan de hemel zag rollen.


































