Archief

Gedichten

Het podium was heel hoog en er was geen trap. Ik klauterde. Toen liep ik naar de microfoon. Er viel iets op de grond. Ik zocht het en zei iets in de microfoon over vinden en oei. Iemand lachte. Iemand zuchtte. Ik keek naar de mensen, maar zag niets. Voor het eerst in mijn lange voorleescarrière (hm) stond er een megaspot op mijn kop gericht. Ik dacht: lekker.

Ik las voor aan een zwarte muur. Achter die muur stond een pak mensen tegen elkaar te praten aan de toog. Jammergenoeg kon ik hen wél zien en wél horen. Ik zei iets grappigs. Niemand lachte. Ik dacht: zo kan het ook.

Gelukkig was Willem Elsschot bij mij.

Kraai was uitgenodigd door AmuseeVous om het literatuurluik op Citadelle Ma Belle, een feest in het Citadelpark, in te vullen. Tim Devriese, Ivo Allewaert en ik sprongen uit de bosjes en verrasten mensen op poëzie en verhalen. Dit gedicht schreef ik, geïnspireerd door het park.

Hij.

Elke ochtend
loop ik hem zomaar voorbij.

Hij zit op de rand van de bank,
rookt een pijp,
draagt een hoed
en kijkt wat in de verte.
Of naar de grond,
of naar de zakdoek in zijn hand,
ik weet niet.

En ik denk:
mijn zekerheid bevindt zich hier,
’s morgens om half negen
in het park tussen de bomen.

En dan:
denkt hij dat ook van mij?

Dit is geen seks en zelfs niet zoenen;

een eerste slow op ‘t schoolfeest, 
zo heel serieus en met gestrekte armen.
Uw grootouders er in de verte 
om horen lachen:

besluiten om bij de discobar toch nog eens
de Macarena aan te vragen.

‘t Was te koud.
Alles zou bevriezen;
eerst mijn vingers en neus, dan
tenen en benen (ik had die korte
bloemenrok aan).
Als laatste mijn gedachten
-of als eerst,
dat weet ik niet meer

Trouwens;
ik moest ook
wel heel dringend plassen. Read More

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 5.660 andere volgers