Het podium was heel hoog en er was geen trap. Ik klauterde. Toen liep ik naar de microfoon. Er viel iets op de grond. Ik zocht het en zei iets in de microfoon over vinden en oei. Iemand lachte. Iemand zuchtte. Ik keek naar de mensen, maar zag niets. Voor het eerst in mijn lange voorleescarrière (hm) stond er een megaspot op mijn kop gericht. Ik dacht: lekker.
Ik las voor aan een zwarte muur. Achter die muur stond een pak mensen tegen elkaar te praten aan de toog. Jammergenoeg kon ik hen wél zien en wél horen. Ik zei iets grappigs. Niemand lachte. Ik dacht: zo kan het ook.
Gelukkig was Willem Elsschot bij mij.
