Archief

Proza

(Ik vond een raar verhaaltje terug dat ik schreef in 2010. Het gaat over een meneer die raar praat, een cavia, een jong koppel en een klooster).

1.

Monsieur Gris werd, zoals elke ochtend, wakker in de keuken. Moeizaam kroop hij uit zijn hol van dunne, grijs geworden matrassen en schurftige dekens. Hij wreef met beide vuisten de slaap uit zijn ogen en keek naar buiten door het raam dat uitgaf op de tuin. De bomen wierpen scherpe schaduwen op het gras, dat nog mals en zonder schroeiplekken was. Een mannetjesmerel met een worm in zijn bek hipte in en uit de schaduw van een notelaar, alsof hij het contrast tussen licht en donker aan het onderzoeken was. Verder: wat flodderwolken in een lichtblauwe lucht. Geen zon te zien.
‘Nog geen middag dus,’ dacht monsieur Gris, ‘maar ook geen vroege ochtend. Ik gok half elf, misschien een paar minuten later. De zon schurkt nog wel even tegen de zijgevel aan.’ Hij opende het raam.
‘Ah, de stilte van een romig laagje ochtendsmog. Zo dik en fris en tastbaar.’ Hij raapte een stoffen zakdoek op, rochelde er een paar keer stevig in en gooide de plakboel in een hoek.

Een schelle piep spleet de stilte in twee. Uit een nest van kartonnen dozen kwam een cavia gestoven. Twee angstige kraalogen. Het geluid van krassende, driftig naar houvast krabbelende nageltjes op een koude tegelvloer.
‘Ach Regine, deed ik u schrikken?’ vroeg monsieur Gris zacht. Hij bukte zich langzaam, glimlachte en stak zijn hand uit. De cavia nam gehoorzaam plaats in de mand van vlees die haar dikke, zwaar ademende lijf perfect omsloot.

Monsieur Gris liep terug naar het open raam en stak de cavia met gestrekte arm naar buiten. Hij sloot de ogen, boog het hoofd en probeerde diep in te ademen. Toen keek hij met een ruk naar een punt in de verte.
‘Voel hoe zuurstof tot in de kleinste blaasjes van uw longen dringt. Voel hoe elke cel in uw lijf onstuimig begint te trillen en te trekken, Regine. Als een pasgeboren veulen. Klaar om op zijn knokige benen te staan, te lopen en te bokken. Een nieuwe dag, een vers begin. Ik adem. Ik leef. Jij ademt. Jij leeft.’ Monsieur Gris ademde een paar keer in en uit. Diepe halen langs de neus (in). Lange zuchten door de mond (uit). Hij keek naar de rug en de kont van de cavia. Haar rosse pels ging jachtig op en neer.
‘Cavia’s, ach cavia’s, zij zullen het wel nooit leren. Toch staan een uit het donker herrezen man en zijn cavia voor u, nieuwe dag. Wij zijn vol hoop en vol verwachting. Aanvaard deze nederige groet van ons.’ Een diepe, zo sierlijk mogelijk uitgevoerde knieval volgde. Monsieur Gris lachte, begon hevig te hoesten en kwam luid vloekend overeind.

Haastig liep hij, zijn vrije hand vlak tegen het borstbeen gedrukt, naar de gootsteen.
‘Goddomme.’ Hij hield zijn mond onder de kraan. Koud water gulpte naar binnen. Een roze fluim in het putje. ‘Goddomme toch. Eventjes bekomen.’ Monsieur Gris zette de cavia op het aanrecht en liet zich op de vloer zakken.

2.

Een koppel staat voor de grote eiken deur van een klooster. Aan de linkerzijde zien we: mijn piepjonge moeder. Ze draagt een donkerrode tuinbroek, de enige broek die haar nog past. Het kind wil niet komen, het zit daar te goed.
Ze puft, stopt een pluk weerbarstig golvend haar in haar paardenstaart. Er valt een andere lok naar beneden. Ze zucht, plaatst haar hand in de rug. Drie armbanden kletteren tegen elkaar en landen op haar dunne pols. Met haar andere hand wrijft ze routineus over haar buik. Kom op kleine, kom er toch uit. Alles is klaar, we wachten op jou. Kom op kleine, kom er toch uit. Alles is klaar, we wachten op jou. Mijn ouders geloven sinds een dag of vijf in de kracht van mantra’s. En vers gezette korianderthee met gember. Fietsen, veel fietsen ook. Of seks onder de douche. Alles om die baby uit haar bekken te krijgen.

Naast haar: mijn vader, zes jaar ouder en al grijs aan de slapen. Op zijn hoofd een wildernis aan krullen.
‘Krullen waar een ooievaar zonder moeite een nest van kan bouwen,’ zegt mijn oma telkens wanneer ze hem ziet.
‘Pas toch op, straks landt er een op je kop.’ Iedereen lacht.
Mijn vader veegt het zweet op zijn voorhoofd af met een zakdoek. Hij heeft een afgeknipte jeansbroek, dikke rode kousen, basketschoenen en een marineblauw T-shirt aan. Het is zijn interpretatie van het klassieke uniform. Nooit in het leger geweest. Burgerdienst gedaan in een psychiatrisch ziekenhuis. Salontafels gemaakt. Krukken, opstapjes, rekken met vier, zes, acht, tien vakken. Ze staan in het huis van mijn ouders verspreid. Mijn moeder schikt er een bloempot op. Een andere. Nog een paar. Ze kan toch geen planten blijven kopen, wanneer is die burgerdienst toch eindelijk afgelopen?

Mijn vader glimlacht opgetogen. Hij strekt zijn armen in de lucht en kijkt naar boven, alsof hij de heiland himself van zijn wolkentrap naar beneden ziet schrijden.
‘Prachtig pand,’ zegt hij. Zijn stem slaat bijna over.
‘En zo groot,’ zegt mijn moeder. ‘Misschien wel te groot eigenlijk.’ Ze kijkt bezorgd, wrijft nog steeds over haar buik. Kom op kleine, kom er toch uit.

‘Die gevel is zeker vijftien meter breed,’ zegt mijn vader. ‘We kunnen gemakkelijk de ene helft als woonruimte inrichten en de andere helft als studio.’ Zijn ogen blinken. Mijn moeder is in haar hoofd de electriciteitskosten al aans vlug aan het berekenen.

3.

Monsieur Gris schoof aan tafel. Hij duwde Regine op een half afgeknauwde broodplank. ‘Knaag braaf,’ zei hij. Het dier begon wild aan de nog gladde kant van de plank te knagen. ‘Heer, als u dit hoort, verlost u me dan,’ zei de man. Hij tikte met zijn knokkels tegen de korst van de homp brood die op de goeie plank lag.
‘Oud, maar nog geen kassei.’ Met zijn wijsvinger boorde hij een gat in het kruim. De los gepeuterde kruimels verzamelde hij op het tafelblad. Nette hoopjes grijs.
‘Kssj,’ monsieur Gris wuifde de cavia preventief weg met zijn hand. Met een natte middelvinger begon hij het kruim van het tafelblad naar zijn mond te brengen. ‘In de maag ziet alles er toch hetzelfde uit. Als deeg. Als fruitpap. Of onvoltooid verleden. Heer, als u dit hoort. Gooit u dan een vis naar beneden?’

De kerkklok sloeg elf keer. ‘Niet mis,’ dacht hij, ‘helemaal niet mis. Mijn biologische klok behoort tot de wereldtop. Tenzij ik een moment te laat begon te tellen en de klok eigenlijk twaalf sloeg, maar dat betwijfel ik. Dat komt me zelden voor. Hoe zelden, Heer?’ Monsieur Gris priemde een met kruimels beplakte vinger in de lucht. Het bleef stil aan de overkant. ‘Juist, zéér zelden.’ De man en zijn cavia aten in stilte voort.

4.

Het klooster wordt niet meer door de zusters bewoond. Zij werden jaren geleden met een busje naar een gloednieuw klooster gebracht in de bossen. Een gebouw ontworpen door een architect, met een feestelijke inhuldiging en alles erop en eraan. Dat hadden ze in het dorp nog nooit gezien. Wortels met cocktailsaus. Toastjes met ansjovis en ei uit een spuitzak. Een discobar uit Sint-Niklaas. Daddy cool van Boney M door de boxen. En die nonnen, dansen. En meneer pastoor, dansen.

Sindsdien ligt het oude klooster er maar verlaten bij. Het wordt bewoond door een man die, zo gaat het gerucht, slechts één kamer bewoont. Alle andere vertrekken zijn no-go-zones waar de ratten de katten bekampen en omgekeerd.

‘Onze enige buren een kerk, een bakkerij en tweehonderd doden. Zie je het al voor je? Ik wel. We kunnen hier gemakkelijk voor een honderdtal mensen concerten geven en een studio inrichten waar we zelf onze muziek in opnemen. Die mensen in de grond ginder zullen er niet van wakker liggen.’ Mijn vader lacht.
‘Vind je het niet een beetje raar, een kerkhof in het verlengde van de tuin?’ Vraagt mijn moeder.
‘Er staan genoeg bomen in de tuin. Trouwens, het is een kleine parochie. Hier gaan amper mensen dood. Denk nu eens positief.’
‘En toch. Ik alleen met de baby in dit groot huis terwijl jij met de auto op tournee bent, het is geen gedachte waar ik blij van word. Krakende trappen en zuchtende deuren. Geesten die me in de kast opwachten.’
‘Je hebt het huis nog niet gezien en je maakt je al zorgen. Stop daar nu toch eens mee.’
‘Jij bent al te veel aan het dromen. Wie weet valt het tegen,’ Mijn moeder begint sneller over haar buik te wrijven.
Mijn vader, op zijn beurt, begint luider te praten. ‘Typisch jij. Altijd het negatieve zien. Halfleeg. Bijna dood. Nog niet wit. Nooit eens denken dat de kosmos in een bui van liefdadigheid verkeert.’
‘Ik ben tenminste geen werkloze dromer.’
‘En ik geen cynische trut die al voor haar pensioen aan het sparen is.’
Mijn vader draait zich om, plant een hand in zijn zij. Moeder is de kadans van haar mantra kwijt.

5.

Monsieur Gris lag op zijn rug op de vloer. Hij was geen mens meer. Hij was een hoestende. Een machine die door een te enthousiaste draai aan de knop in overdrive is geraakt. Heeft er een onoplettende jobstudent aan zijn bedrading zitten prutsen?
‘Waar is de manager?’ vroeg Monsieur Gris. ‘Ik moet de manager spreken.’ Hij kokhalsde.
‘Meer heb ik niet, Heer, harder dan dit kan ik niet. Ik hoest me te pletter, het schijnt niet te helpen. Ik doe echt mijn best, het gaat niet meer langer. Of ik even wil kijken of ik mijn garantiebewijs nog heb? Onnozele zak.’
Ademnood. Ademnood. Ademnood.
Code rood.

6.

25 april 1985. Een dinsdag. Mijn moeder bevalt, met behulp van de bakkersvrouw en mijn vader, van een dochter. Op de stoep voor het klooster, onder een brandende zon.

Haar water breekt wanneer ze een laatste verwijt naar mijn vader smijt.
‘Een studio. Concerten. En waar komt het startkapitaal vandaan? Niet uit uw zak. Niet uit zijn zak, neen.’
Plets. Vergeet korianderthee met gember. Vergeet de mantra’s, de massages, het fietsen. De seks onder de douche. Mijn moeder is woest.
‘Kijk nu wat je deed!’

Mijn vader klopt hard op de deur van het klooster. Niemand doet open, verdomme. ‘Wij hadden toch een afspraak gemaakt?’ Hij rent naar de pastorij, die zich aan de andere kant van de kerk bevindt. Niemand. De bakker. De bakker. Mijn vader stormt zijn winkel binnen.
‘Doeken en heet water,’ schreeuwt de bakkersvrouw tegen haar man. Ze hangt het bordje met ‘gesloten’ voor het raam en loopt naar mijn moeder.

Die is tijdens het bevallen zo kwaad op mijn vader dat alles heel snel gaat. Hoe meer mijn vader haar probeert te bedaren, hoe wijder haar neusgaten komen te staan. Een witte rand rond haar mond. Al de rest: rood. Haar tuinbroek. Haar gezicht. Haar gebalde vuisten en haar vlammende ogen.

Dan is het kind er. Een bloederig hoopje, een schreeuwend gedrochtje. Een kindje. Een echt. Alle woede zinkt. Mijn ouders noemen haar Billie, naar het idool van mijn vader. Mijn moeder huilt. Mijn vader huilt. Het kind huilt. De bakkersvrouw zit op de stoeprand.

In het klooster trippelt een cavia over het been van een man. Ze snuffelt aan zijn buik, zijn oksel, zijn vlezige nek en kin. Daar blijft ze een tijdje zitten. Ze rust, geeft de kin kopjes. Knaagt zich een weg naar het neusbeen.

Ik droomde dat ik op kot zat in een nieuw woon- en winkelcomplex in Genk. Bijna alle muren waren van glas en alles rook nog naar nieuw. De kranen blonken, mijn bed was strak opgemaakt en ik had zelfs tv. Ik keek naar buiten: een plein, jonge, takkige boompjes en klinkers zonder kauwgom. Het was allemaal heel spannend en ik voelde me blij.

Er gleed een jongen in een rolstoel voorbij. Hij had een halve gezichtsprothese en kunstarmen en -benen. De protheses waren niet omkapseld met een kunststof die eruitzag als huid. Alle rubberen elastieken, draden, plaatjes en gewrichten lagen zonder schaamte bloot.

Later ontmoette ik de jongen in mijn kot. We zaten naast elkaar op de bank en ik vroeg hem of hij voelde dat ik aan zijn onderarm kwam. Hij zei van niet. Hij raakte mijn vingers voorzichtig aan met zijn vingers en vroeg waar ik vandaan kwam. Ik schoof zwijgend dichter.

Er waren lessen en feestjes en toch bleven alle mensen nieuw. Alsof ik geen vrienden durfde te maken. Ik nodigde mensen uit op mijn kot. Ik wist dat ik ze nooit beter zou leren kennen, maar dat gaf niet: het was goed voor nu. Ze hadden bier meegebracht en we keken tv. Het was die film met die Aziatische en Colin Farrell. Iemand riep: ‘hete rukker!’ En gelach.

De jongen reed naar mijn badkamer en begon zich klaar te maken voor de nacht. Hij vroeg me om hem te helpen. Ik was bang dat ik zou gruwelen van zijn lichaam, maar stak toch mijn hand uit. We begonnen met zijn gezicht. Een mond zonder lippen, twee gaatjes waar zijn neus had moeten zitten en een rode, vlezige borstkas kwamen tevoorschijn. Hij lachte en zei: ‘Zo, nu is het ergste wel voorbij.’ Toen klikten we zijn onderbenen en -armen los en zoals hij daar zat en ik daar leunde, en we met zoveel zorg zijn lichaam stripten, voelde ik een liefde die ik nog nooit had gevoeld. Hoe minder lichaam er was, hoe intenser het gevoel werd, tot er alleen maar liefde overbleef die zo diep en intens was dat ik ervan moest huilen.

Hij wilde mij troosten maar ik had zijn armen in mijn handen, dus dat ging niet. Daar moesten we allebei om huilen en lachen tegelijk. Toen werd ik wakker. Mijn borst zat vol, vol, vol met liefde. Ik kwam aan mijn wang: er rolden echte tranen.

De officiële overhandiging van Kopstoot aan Kapitein Winokio ;)

Schrijver Ivo Victoria speecht. -Eva Mouton gunt je “een glimp van het universum waar elk van ons wel eens naar smacht. Met Kopstoot kan een ieder haar bril opzetten, die maakt dat de liefste dingen akelig worden en de wreedste dingen ontroerend”.-

Mijn zus bakte 100 Kopstoot cupcakes. Mmmmm :).

Mijn kop leest een stukje voor. Pompom.

Maarten Inghels speecht.

Stukje haar vergeten stijlen :o).

Mijn lievelingsboeken:

De tentoonstelling loopt nog tot volgende week dinsdag (24/04/2012). Wie dus nog postkaartjes, buttons, ingekaderd werk of mijn lievelingsboeken wil kopen/bekijken: rep u naar boekhandel ‘t Stad leest, op de Steenhouwersvest in Antwerpen!

Meer foto’s zien? Ga naar de facebookpagina van Literair Productiehuis Wintertuin.

Meer info over Kopstoot? Ga naar de website van Wintertuin.

Wat gebeurt er wanneer Elfie Tromp en Jeroen Aalbers, twee van de strakste Rotterdamse opperstrakkers, besluiten om samen een literair tijdschrift maken? Jawel, dan krijg je gewoon het strakste literaire tijdschrift, like, everrr.

Strak, dat is het geïllustreerd literair tijdschrift voor de Nieuwe Nieuwe Zakelijkheid.
Met proza waarin wat beleefd wordt en poëzie waaraan iets te snappen valt.
Zegt u al yay?
I know I do.

Deze eerste editie bundelt het werk van o.a. Vincent Niks, Daniël Vis, Elfie Tromp herself en mij.
Met illustraties van o.a. Bert De Geyter, Bart Aalbers en Roosmarijn Mascini.
Vice vindt het alvast ook een knallertje. (Waarom zeg ik knallertje? Ik was net zo strak bezig).

Voor meer info -> Facebook

Vanaf vandaag, de honderdste verjaardag van Annie M.G. Schmidt, verschijnt hier heel onregelmatig een korte anekdote. Een herinnering aan de oma die de rode draad spon door mijn kindertijd.

Ik was acht toen ik meedeed aan een voordrachtwedstrijd van het Davidsfonds.

De avond speelde zich af tegen de goedkope houten lambrisering van het parochiaal centrum in het dorp. Ik herinner me dat mijn mama de auto van de buren had geleend want wij hadden maar één auto en die gebruikte mijn papa om naar Mortsel te rijden, waar hij les gaf op vrijdagavond. Mijn zus en ik mochten een pakje chips en nog een en er was ook cola maar ik dronk water want anders liet ik misschien een boertje op het podium straks en dat zou natuurlijk verschrikkelijk zijn. Mijn juf was hier. En ook de directeur en er was zelfs een reporter van de regionale krant. Ze zaten allemaal aan een belangrijke tafel achteraan in de zaal en staken hun duimen op naar mij telkens ik langs kwam rennen.

Het was echt een hele speciale avond.

Bijna zo speciaal als mijn eerste communie of toen ik Maria mocht spelen op het kerstfeest en Stefan was Jozef en alle meisjes waren jaloers. Mijn buik deed pijn en ik was ook verdrietig en stil. Waarom had ik mijn hand opgestoken toen de juf had gevraagd wie er mee wilde doen? Waarom wilde ik dat podium op? Wat had ik toch te bewijzen? Kon ik niet beter zoals de rest van de wereld naar een tv-programma met Felice kijken? Het was toch vrijdagavond zeker?

Miljoenen kinderen kropen het podium op en weer af en ik werd steeds banger. Toch moest ik sterk zijn. Voor mijn zus, die mijn uren van repeteren zonder morren had aanhoord. Voor mijn mama, die de auto van de buren had geleend. Voor mijn juf, die niet naar Felice keek. Voor mijn papa, die zich zeker niet kon concentreren op zijn les. En natuurlijk ook voor die reporter van de regionale krant. Waar moest die drommel zijn krant mee vullen als ik niet schitterde als de grootste fonkelster ter wereld?

Ik stond op het podium en kon niemand zien. Enkel Jezus, achteraan in de zaal, groen verlicht door de pijl die nooduitgang aanwees. Knipoogde hij net naar mij? In de verte hoorde ik een chipszak kraken. Iemand zette mijn microfoon op de juiste hoogte. Alles ging precies zoals ik het had gerepeteerd.

‘Ik ben lekker stout,’ zei ik, ‘van Annie M.G. Schmidt’

‘Ik wil niet meer, ik wil niet meer (twee keer een vuist op een denkbeeldig tafelblad)
Ik wil geen handjes geven. (vinger die nee doet en andere hand die een handje geeft)
Ik wil niet zeggen elke keer:
Jawel mevrouw, jawel meneer (zeurtoontje)
Nee, nooit meer in mijn leven. (kordaat)
Ik houd mijn handen op mijn rug (handen op mijn rug)
En zeg lekker niets terug.’ (terug kordaat)

‘Tweede couplet,’ dacht ik in mezelf. ‘Retteketet. Ik ga als een speer!’

‘Ik wil geen vieze havermout, (vies gezicht)
Ik wil geen tandjes poetsen! (roepen, want: een uitroepteken)
‘k Wil lekker knoeien met het zout, (zoutzak uitschuddend gebaar)
ik wil niet aardig zijn, maar stout! (kordaat)
en van de leuning roetsen (arm maakt roetsgebaar)
en schipbreuk spelen in de teil
en ik wil spugen op het zeil’ (spuugmondje)

Toen stopte het. Zomaar. Ineens. Alsof ik niet meer mocht van mijn geweten. Jezus grinnikte. Zijn groen lichtje knipperde.‘Maar ik wil wel nog,’ zei ik stil, ‘eigenlijk wil ik wel nog. Het is een gedicht van Annie M.G. Schmidt. Ik heb dit niet geschreven.’

Het jaar nadien deed ik iets van Roald Dahl en werd ik tweede.

Vanaf vandaag, de honderdste verjaardag van Annie M.G. Schmidt, verschijnt hier heel onregelmatig een korte anekdote. Een herinnering aan de oma die de rode draad spon door mijn kindertijd.

’s Avonds kropen mijn mama en ik altijd nog even bij mijn grote zus in bed. Heel af en toe ook eens in mijn spijlenbed, maar dat vergde meer puzzelwerk. Mijn zus en ik knusselden ons elk in een oksel van onze mama. Ik stak mijn lievelingsbeer onder mijn arm, mijn zus nam Raffie de giraf op haar schoot. Eens geïnstalleerd, begon mama met haar zachte, volle voorleesstem (die anders klonk dan haar gewone dagstem) een verhaaltje van Jip&Janneke voor te lezen. En nog een. En nog een. Toe, nog ééntje? Een allerlaatste dan, allez.

(Geschreven bij ‘Gastvrijheid voor vreemdelingen’ van Gustave Van de Woestyne, 1920, in opdracht van MSK Gent voor Erfgoeddag 2011.)

Als we ons vervelen, verzinnen we grote verhalen. Mijn broer en ik. Over een buitenaardse olifant die in ons dorp neerdaalt en ons zo snel van zijn slurf laat glijden dat we –hopsa!- een grote stad zoals Gent in vliegen. En wat we daar dan zouden doen. Snoep eten tot we misselijk zijn. In een speelgoedwinkel blijven slapen. Of twintig afleveringen van F.C. De Kampioenen kijken.

Want wij wonen in een saai dorp. Iedereen die hier geboren wordt, blijft. En er komt ook nooit iemand bij van buitenaf. ‘Lekker gezellig,’ zegt mijn mama. Iedereen kent elkaar en als je een citroen nodig hebt maar de Colruyt is dicht dan zijn er altijd wel buren die je wat kunnen lenen. Gezellig, gezellig. We hebben zelfs geen burgemeester of politiemensen nodig. Hier gebeurt toch nooit wat.
‘Saai,’ zegt mijn broer.
‘Saai,’ zucht ik terug. En we bedenken weer een volgend verhaal.

Maar vorige maand veranderde alles plots. We hadden pedagogische studiedag. Dan hoef je niet naar school. Mijn broer en ik verveelden ons natuurlijk dood. We deden kopstand en bedachten een stom verhaal over Tony De Hotdogfretter. Ineens ging de bel. We sprintten naar de deur. Mijn broer was er eerst. Hij opende de deur.

Er stond een man die we nog nooit hadden gezien. Hij droeg een sjaal en een hoed en een knapzak op zijn rug.
‘Dag kinderen,’ zei hij met een gek, krakend stemmetje,’ ik ben nonkel Koen uit Amerika. Ik heb mijn autoluchtmobiel op jullie dak geparkeerd en zou nu wel een glaasje cola zonder prik lusten. Mag ik binnen komen?’ Hij giechelde. Mijn broer en ik riepen tegelijk onze papa.

Onze papa keek naar de man. Zijn mond viel open van verbazing.
‘Koen?’ vroeg hij. En nonkel Koen uit Amerika knikte. Ze vielen in elkaars armen en zeiden ‘broer, broerke toch.’

Onze nonkel had tijdens de oorlog moeten vluchten naar Amerika omdat hij een uitvinder was. Pas twintig jaar na het einde van de oorlog was het veilig genoeg voor hem om terug te komen. Met zijn zelfgebouwde autoluchtmobiel.

Sinds hij bij ons woont is alles anders. Als we ons vervelen, mogen mijn broer en ik stiekem met de autoluchtmobiel naar Gent. Dan parkeren we op het dak van een school of een museum en eten we snoep tot we misselijk zijn. Of kijken we naar twintig afleveringen van F.C. De Kampioenen. We zijn wel nog nooit in een speelgoedwinkel blijven slapen.

‘Dat komt er wel nog eens van,’ fluistert onze nonkel. Hij giechelt. En drinkt nog een glaasje cola zonder prik.

(Geschreven bij ‘Oud echtpaar’ van Eugène Laermans, 1915, in opdracht van MSK Gent voor Erfgoeddag 2011.)

Het was heel lang geleden. Er waren nog geen huizen met beige bakstenen. Of blauwe voordeuren met gele klinken. En er stonden ook nog geen kabouters of minimolens in de voortuinen. Ha nee! Want voortuinen waren er ook nog niet. Al die dingen moesten nog worden uitgevonden. Bijna honderd jaar geleden.

Op hun weg naar de kermis kwamen Moniekje en Emiel dus bijna geen huizen en geen mensen tegen. Hoogstens eens een bosje of een kerk. Want Jezus, die was natuurlijk wel al geboren. En ook al een paar keer dood gegaan. En telkens weer herrezen.

‘Brrr,’ zei arm Moniekje tegen haar man, ‘Waarom zijn we niet gewoon in ons huisje gebleven? We hadden nog een blok hout op het vuur kunnen gooien. En melk opwarmen met honing.’
‘Maar Moniekje,’ zei Emiel, ‘we hebben met onze laatste centen die dure lootjes voor de tombola gekocht. Als we vandaag niet naar de kermis gaan, missen we de hoofdprijs. Dan is onze aankoop voor niets geweest.’
‘De hoofdprijs! We hebben nog nooit iets gewonnen,’ hijgde Moniekje. Want het was niet gemakkelijk lopen in de sneeuw. Met al die zware kleren aan. En op die oude klompen.
Emiel plantte kordaat zijn stok in de sneeuw. ‘Ik voel het in mijn kleine teentjes dat we dit jaar zullen winnen. Immer voorwaarts, mars!’ Hij wees in de verte, naar de gekleurde vlaggen en joelende kinderen. De twee schuifelden supertraag en in stilte verder.

Doodmoe van al dat stappen kwamen het stokoude vrouwtje en mannetje aan in het dorp. Ze slenterden naar de grote tent en zagen mensen met een tuintafel, een gekke voddenpop, een onvolledig theeservies of twee kleine knoopjes naar buiten komen.

Moniekje en Emiel gingen de tent binnen. Op dat moment kwamen de burgemeester en zijn vrouw met de dikste vleeskoe ooit naar buiten. ‘We hebben de hoofdprijs gewonnen,’ kirde de vrouw. Ze had een dure bontjas aan en haar dat als een ingewikkelde boterkoek bovenop haar hoofd lag.

Emiel zijn mond viel open. De tombola was net afgelopen.

(Geschreven bij ‘Kraam van een Visboer’ van Adriaen van Utrecht, 17de eeuw, in opdracht van MSK Gent voor Erfgoeddag 2011.)

Het was woensdag. Markiezin Van Dessel zat in haar paarse ribfluwelen stoel. Ze keek nors naar buiten. Naar haar pauwen. En de ganzen en het hangbuikzwijn. En naar de grote sproeifontein.
‘Altijd dezelfde beesten in dezelfde tuin,’ zeurde ze tegen het personeel. ‘Die gaan na een tijd ook vervelen. Had ik maar digitale tv. Of een Playstation Twee zoals gravin De Wilde.’ Ze zuchtte.

Het personeel werd al een beetje zenuwachtig. Want wanneer de markiezin zich verveelde, kreeg ze altijd zin in eten. Dan beval ze haar meiden om hele moeilijke recepten te maken. Kalkoen aan het spit met veenbessensaus of Kikkerbil met erwtjes. De knechten en meiden keken angstig naar elkaar.

‘Mmm druifjes,’ begon de markiezin. En hoppa, knecht 4 sprong recht en liep naar de boomgaard.
‘Of nee, nee, kippenboutjes met citroensaus.’ Meid 5 nam een mes en rende halsoverkop naar het kippenhok.
‘Of wacht, ik weet het, ik weet waar ik echt zin in heb vandaag!’ riep de markiezin.
‘Zeker weer beverstoemp,’ piepte meid 3 tegen de knechten, ‘en dat kan ik net niet goed.’

Maar het was geen beverstoemp. En ook geen kalkoen of kikkerbil. De markiezin had zin in vissenkop met frietjes. ‘En weten jullie wat?’ zei ze, ‘ik ga er gewoon zelf om op de markt. Dan kom ik nog eens onder de mensen. Want jullie weten, personeel, dat ik ondanks mijn succes en rijkdom altijd mezelf gebleven ben.’ Ze deed vastberaden haar fluwelen hakschoentjes aan, nam een gouden emmer van het schap en marcheerde naar buiten.

Al snel stond het dorp in rep en roer. ‘De markiezin komt naar buiten,’ schreeuwde het volk. ‘Ze gaat richting markt met een emmer!’ Vrouwen met kinderen, werkende mannen, bedelaars, nonnen en paters; iedereen dromde bijeen om haar te kunnen zien. Want de markiezin kwam alleen voor erg belangrijke zaken in het dorp.

Aan het kraam van visboer Eddy bleef ze staan. Het volk hield de adem in. ‘Visboer Eddy,’ zei de markiezin, ‘vul mijn emmer met vieze vissenkoppen.’ ‘Maar mevrouw de markiezin,’ stamelde de visboer, ‘heeft u niet liever iets anders? Iets verfijnds? Ik heb net verse haai en surimisalade pikant in mijn kraam. Heerlijke delicatessen voor een lelieblanke schoonheid als u.’
‘Vissenkop!’ gilde de markiezin. Ze rolde met haar ogen. ‘In vissenkop heb ik zin, dus vissenkop zal het zijn.’ Eddy slikte, sneed stiekem de mooiste vissenkoppen af en stak de gouden emmer vol. De oogjes van de markiezin fonkelden. Het volk had haar nog nooit zo gelukkig gezien.

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 5.633 andere volgers