(Ik vond een raar verhaaltje terug dat ik schreef in 2010. Het gaat over een meneer die raar praat, een cavia, een jong koppel en een klooster).
1.
Monsieur Gris werd, zoals elke ochtend, wakker in de keuken. Moeizaam kroop hij uit zijn hol van dunne, grijs geworden matrassen en schurftige dekens. Hij wreef met beide vuisten de slaap uit zijn ogen en keek naar buiten door het raam dat uitgaf op de tuin. De bomen wierpen scherpe schaduwen op het gras, dat nog mals en zonder schroeiplekken was. Een mannetjesmerel met een worm in zijn bek hipte in en uit de schaduw van een notelaar, alsof hij het contrast tussen licht en donker aan het onderzoeken was. Verder: wat flodderwolken in een lichtblauwe lucht. Geen zon te zien.
‘Nog geen middag dus,’ dacht monsieur Gris, ‘maar ook geen vroege ochtend. Ik gok half elf, misschien een paar minuten later. De zon schurkt nog wel even tegen de zijgevel aan.’ Hij opende het raam.
‘Ah, de stilte van een romig laagje ochtendsmog. Zo dik en fris en tastbaar.’ Hij raapte een stoffen zakdoek op, rochelde er een paar keer stevig in en gooide de plakboel in een hoek.
Een schelle piep spleet de stilte in twee. Uit een nest van kartonnen dozen kwam een cavia gestoven. Twee angstige kraalogen. Het geluid van krassende, driftig naar houvast krabbelende nageltjes op een koude tegelvloer.
‘Ach Regine, deed ik u schrikken?’ vroeg monsieur Gris zacht. Hij bukte zich langzaam, glimlachte en stak zijn hand uit. De cavia nam gehoorzaam plaats in de mand van vlees die haar dikke, zwaar ademende lijf perfect omsloot.
Monsieur Gris liep terug naar het open raam en stak de cavia met gestrekte arm naar buiten. Hij sloot de ogen, boog het hoofd en probeerde diep in te ademen. Toen keek hij met een ruk naar een punt in de verte.
‘Voel hoe zuurstof tot in de kleinste blaasjes van uw longen dringt. Voel hoe elke cel in uw lijf onstuimig begint te trillen en te trekken, Regine. Als een pasgeboren veulen. Klaar om op zijn knokige benen te staan, te lopen en te bokken. Een nieuwe dag, een vers begin. Ik adem. Ik leef. Jij ademt. Jij leeft.’ Monsieur Gris ademde een paar keer in en uit. Diepe halen langs de neus (in). Lange zuchten door de mond (uit). Hij keek naar de rug en de kont van de cavia. Haar rosse pels ging jachtig op en neer.
‘Cavia’s, ach cavia’s, zij zullen het wel nooit leren. Toch staan een uit het donker herrezen man en zijn cavia voor u, nieuwe dag. Wij zijn vol hoop en vol verwachting. Aanvaard deze nederige groet van ons.’ Een diepe, zo sierlijk mogelijk uitgevoerde knieval volgde. Monsieur Gris lachte, begon hevig te hoesten en kwam luid vloekend overeind.
Haastig liep hij, zijn vrije hand vlak tegen het borstbeen gedrukt, naar de gootsteen.
‘Goddomme.’ Hij hield zijn mond onder de kraan. Koud water gulpte naar binnen. Een roze fluim in het putje. ‘Goddomme toch. Eventjes bekomen.’ Monsieur Gris zette de cavia op het aanrecht en liet zich op de vloer zakken.
2.
Een koppel staat voor de grote eiken deur van een klooster. Aan de linkerzijde zien we: mijn piepjonge moeder. Ze draagt een donkerrode tuinbroek, de enige broek die haar nog past. Het kind wil niet komen, het zit daar te goed.
Ze puft, stopt een pluk weerbarstig golvend haar in haar paardenstaart. Er valt een andere lok naar beneden. Ze zucht, plaatst haar hand in de rug. Drie armbanden kletteren tegen elkaar en landen op haar dunne pols. Met haar andere hand wrijft ze routineus over haar buik. Kom op kleine, kom er toch uit. Alles is klaar, we wachten op jou. Kom op kleine, kom er toch uit. Alles is klaar, we wachten op jou. Mijn ouders geloven sinds een dag of vijf in de kracht van mantra’s. En vers gezette korianderthee met gember. Fietsen, veel fietsen ook. Of seks onder de douche. Alles om die baby uit haar bekken te krijgen.
Naast haar: mijn vader, zes jaar ouder en al grijs aan de slapen. Op zijn hoofd een wildernis aan krullen.
‘Krullen waar een ooievaar zonder moeite een nest van kan bouwen,’ zegt mijn oma telkens wanneer ze hem ziet.
‘Pas toch op, straks landt er een op je kop.’ Iedereen lacht.
Mijn vader veegt het zweet op zijn voorhoofd af met een zakdoek. Hij heeft een afgeknipte jeansbroek, dikke rode kousen, basketschoenen en een marineblauw T-shirt aan. Het is zijn interpretatie van het klassieke uniform. Nooit in het leger geweest. Burgerdienst gedaan in een psychiatrisch ziekenhuis. Salontafels gemaakt. Krukken, opstapjes, rekken met vier, zes, acht, tien vakken. Ze staan in het huis van mijn ouders verspreid. Mijn moeder schikt er een bloempot op. Een andere. Nog een paar. Ze kan toch geen planten blijven kopen, wanneer is die burgerdienst toch eindelijk afgelopen?
Mijn vader glimlacht opgetogen. Hij strekt zijn armen in de lucht en kijkt naar boven, alsof hij de heiland himself van zijn wolkentrap naar beneden ziet schrijden.
‘Prachtig pand,’ zegt hij. Zijn stem slaat bijna over.
‘En zo groot,’ zegt mijn moeder. ‘Misschien wel te groot eigenlijk.’ Ze kijkt bezorgd, wrijft nog steeds over haar buik. Kom op kleine, kom er toch uit.
‘Die gevel is zeker vijftien meter breed,’ zegt mijn vader. ‘We kunnen gemakkelijk de ene helft als woonruimte inrichten en de andere helft als studio.’ Zijn ogen blinken. Mijn moeder is in haar hoofd de electriciteitskosten al aans vlug aan het berekenen.
3.
Monsieur Gris schoof aan tafel. Hij duwde Regine op een half afgeknauwde broodplank. ‘Knaag braaf,’ zei hij. Het dier begon wild aan de nog gladde kant van de plank te knagen. ‘Heer, als u dit hoort, verlost u me dan,’ zei de man. Hij tikte met zijn knokkels tegen de korst van de homp brood die op de goeie plank lag.
‘Oud, maar nog geen kassei.’ Met zijn wijsvinger boorde hij een gat in het kruim. De los gepeuterde kruimels verzamelde hij op het tafelblad. Nette hoopjes grijs.
‘Kssj,’ monsieur Gris wuifde de cavia preventief weg met zijn hand. Met een natte middelvinger begon hij het kruim van het tafelblad naar zijn mond te brengen. ‘In de maag ziet alles er toch hetzelfde uit. Als deeg. Als fruitpap. Of onvoltooid verleden. Heer, als u dit hoort. Gooit u dan een vis naar beneden?’
De kerkklok sloeg elf keer. ‘Niet mis,’ dacht hij, ‘helemaal niet mis. Mijn biologische klok behoort tot de wereldtop. Tenzij ik een moment te laat begon te tellen en de klok eigenlijk twaalf sloeg, maar dat betwijfel ik. Dat komt me zelden voor. Hoe zelden, Heer?’ Monsieur Gris priemde een met kruimels beplakte vinger in de lucht. Het bleef stil aan de overkant. ‘Juist, zéér zelden.’ De man en zijn cavia aten in stilte voort.
4.
Het klooster wordt niet meer door de zusters bewoond. Zij werden jaren geleden met een busje naar een gloednieuw klooster gebracht in de bossen. Een gebouw ontworpen door een architect, met een feestelijke inhuldiging en alles erop en eraan. Dat hadden ze in het dorp nog nooit gezien. Wortels met cocktailsaus. Toastjes met ansjovis en ei uit een spuitzak. Een discobar uit Sint-Niklaas. Daddy cool van Boney M door de boxen. En die nonnen, dansen. En meneer pastoor, dansen.
Sindsdien ligt het oude klooster er maar verlaten bij. Het wordt bewoond door een man die, zo gaat het gerucht, slechts één kamer bewoont. Alle andere vertrekken zijn no-go-zones waar de ratten de katten bekampen en omgekeerd.
‘Onze enige buren een kerk, een bakkerij en tweehonderd doden. Zie je het al voor je? Ik wel. We kunnen hier gemakkelijk voor een honderdtal mensen concerten geven en een studio inrichten waar we zelf onze muziek in opnemen. Die mensen in de grond ginder zullen er niet van wakker liggen.’ Mijn vader lacht.
‘Vind je het niet een beetje raar, een kerkhof in het verlengde van de tuin?’ Vraagt mijn moeder.
‘Er staan genoeg bomen in de tuin. Trouwens, het is een kleine parochie. Hier gaan amper mensen dood. Denk nu eens positief.’
‘En toch. Ik alleen met de baby in dit groot huis terwijl jij met de auto op tournee bent, het is geen gedachte waar ik blij van word. Krakende trappen en zuchtende deuren. Geesten die me in de kast opwachten.’
‘Je hebt het huis nog niet gezien en je maakt je al zorgen. Stop daar nu toch eens mee.’
‘Jij bent al te veel aan het dromen. Wie weet valt het tegen,’ Mijn moeder begint sneller over haar buik te wrijven.
Mijn vader, op zijn beurt, begint luider te praten. ‘Typisch jij. Altijd het negatieve zien. Halfleeg. Bijna dood. Nog niet wit. Nooit eens denken dat de kosmos in een bui van liefdadigheid verkeert.’
‘Ik ben tenminste geen werkloze dromer.’
‘En ik geen cynische trut die al voor haar pensioen aan het sparen is.’
Mijn vader draait zich om, plant een hand in zijn zij. Moeder is de kadans van haar mantra kwijt.
5.
Monsieur Gris lag op zijn rug op de vloer. Hij was geen mens meer. Hij was een hoestende. Een machine die door een te enthousiaste draai aan de knop in overdrive is geraakt. Heeft er een onoplettende jobstudent aan zijn bedrading zitten prutsen?
‘Waar is de manager?’ vroeg Monsieur Gris. ‘Ik moet de manager spreken.’ Hij kokhalsde.
‘Meer heb ik niet, Heer, harder dan dit kan ik niet. Ik hoest me te pletter, het schijnt niet te helpen. Ik doe echt mijn best, het gaat niet meer langer. Of ik even wil kijken of ik mijn garantiebewijs nog heb? Onnozele zak.’
Ademnood. Ademnood. Ademnood.
Code rood.
6.
25 april 1985. Een dinsdag. Mijn moeder bevalt, met behulp van de bakkersvrouw en mijn vader, van een dochter. Op de stoep voor het klooster, onder een brandende zon.
Haar water breekt wanneer ze een laatste verwijt naar mijn vader smijt.
‘Een studio. Concerten. En waar komt het startkapitaal vandaan? Niet uit uw zak. Niet uit zijn zak, neen.’
Plets. Vergeet korianderthee met gember. Vergeet de mantra’s, de massages, het fietsen. De seks onder de douche. Mijn moeder is woest.
‘Kijk nu wat je deed!’
Mijn vader klopt hard op de deur van het klooster. Niemand doet open, verdomme. ‘Wij hadden toch een afspraak gemaakt?’ Hij rent naar de pastorij, die zich aan de andere kant van de kerk bevindt. Niemand. De bakker. De bakker. Mijn vader stormt zijn winkel binnen.
‘Doeken en heet water,’ schreeuwt de bakkersvrouw tegen haar man. Ze hangt het bordje met ‘gesloten’ voor het raam en loopt naar mijn moeder.
Die is tijdens het bevallen zo kwaad op mijn vader dat alles heel snel gaat. Hoe meer mijn vader haar probeert te bedaren, hoe wijder haar neusgaten komen te staan. Een witte rand rond haar mond. Al de rest: rood. Haar tuinbroek. Haar gezicht. Haar gebalde vuisten en haar vlammende ogen.
Dan is het kind er. Een bloederig hoopje, een schreeuwend gedrochtje. Een kindje. Een echt. Alle woede zinkt. Mijn ouders noemen haar Billie, naar het idool van mijn vader. Mijn moeder huilt. Mijn vader huilt. Het kind huilt. De bakkersvrouw zit op de stoeprand.
In het klooster trippelt een cavia over het been van een man. Ze snuffelt aan zijn buik, zijn oksel, zijn vlezige nek en kin. Daar blijft ze een tijdje zitten. Ze rust, geeft de kin kopjes. Knaagt zich een weg naar het neusbeen.













