Archief

Proza

(Geschreven bij ‘Weesmeisjes schillen aardappelen’ van Pierre Jacques Dierckx, 20ste eeuw, in opdracht van MSK Gent voor Erfgoeddag 2011.)

Er was eens een oma van 90 jaar. Ze woonde met haar vijf kleindochters in het tuinhuis van meneer pastoor. Omdat ze te arm was om een echt huis te huren of te kopen. Het tuinhuis had roodgeblokte gordijntjes voor de raampjes en een schouwtje en het zag er allemaal best gezellig uit, zo langs de buitenkant.

Niemand wist wat er daar binnen gebeurde, want de oma hield het deurtje stevig op slot en de gordijnen dicht. Ze was echt heel streng, zeiden de mensen in het dorp. Haar kleindochters mochten nooit naar buiten. Dus ook niet naar school. En zelfs niet naar de scouts.

Alleen op vrijdag. Dan mocht de oudste kleindochter een kwartiertje naar de winkel om met de kruiwagen 25 kg aardappelen te halen. Dat was alles. Geen melk of pindakaas of kinder bueno’s. Alleen die aardappelen.

Iedereen maakte zich zorgen. Aten die kinderen alleen maar frietjes? Waren ze wel gezond? Moesten ze niet naar de dokter? Was er niemand die eens een kijkje moest gaan nemen?

Na wat overleg met het huisvrouwencomité van het dorp besloot de groentenboer eens langs te gaan. Hij klopte op het houten deurtje. Niemand deed open. Hij klopte nog eens. En nog eens. Uiteindelijk kriepte het deurtje open. Oma vroeg met een glimlach of er wat scheelde. Ze zag er eigenlijk wel vriendelijk uit. Vriendelijk en vooral heel oud. De groentenboer keek stiekem naar binnen. Op de plankenvloer zaten de kleindochtertjes… stempels uit de aardappelen te snijden. En het huis hing vol met de mooiste stempeltekeningen ooit.
‘Nee,’ glimlachte de groentenboer, ‘eigenlijk scheelt er niets.’

Voor Erfgoeddag 2011, dat dit jaar onder de titel ‘Armoe troef!’ opereert, schreef ik vijf verhaaltjes bij een selectie schilderijen uit het Museum voor Schone Kunsten Gent.
Ik lees deze verhaaltjes aanstaande zondag 2 keer voor in het museum!

Alles op een rijtje:
Wat: Erfgoeddag 2011, thema ‘Armoe troef!’
Waar: Museum voor Schone Kunsten Gent
Om: 10 uur en om 14 uur (laatkomers krijgen poepeklets)
Op: Zondag 1 mei
Voor wie: kinderen vanaf zes jaar en hun enthousiaste ouders/opa’s/meme’s/peters/bobonnekes. Je mag natuurlijk ook gewoon komen, zonder kind, ik bedoel: kinderen zijn niet verplicht. Ik beloof bij deze ook dat het geen ‘tom is tom’ en ‘tom zoekt kat’ verhaaltjes zullen zijn.

Al een kleine teaser:

“Het was heel lang geleden. Er waren nog geen huizen met beige bakstenen. Of blauwe voordeuren met gele klinken. En er stonden ook nog geen kabouters of minimolens in de voortuinen. Ha nee! Want voortuinen waren er ook nog niet. Al die dingen moesten nog worden uitgevonden. Bijna honderd jaar geleden.”

Hoe het verder gaat komen jullie allemaal zondag te weten! Ja jaja!

Sms van E.: “Schoon stukje in de Uitgelezen (De Morgen, 02/03/2011). Wel grappig: ik stel mij ook altijd vragen bij oudere koppels met dezelfde vest, meestal in een knallend fluokeur. :-) Ik stel voor dat wij gewoon cava-madammekes worden.”

Sms aan E.: “Say what? Ben ik ergens te lezen? :-)”

Mijn stukje “Zo’n vrouw op het strand in Wenduine” werd opgenomen in het boek “Utopisch alfabet” van De Bezige Bij Antwerpen. Het boek verzamelt honderd toekomstvisies en wordt zondag voorgesteld in Antwerpen. Vandaag kan je mijn bijdrage al lezen in De Morgen. Ik zeg: jochei!

Dit is mijn agenda. Ik heb het beplakt. Er zijn flatgebouwen en zeppelins.

In januari was er nog niet zoveel. Een deadline voor Lkwadraat. Het begin van een dieet dat Grandioos moest worden maar al in maart mislukte. Mijn examens voor de lerarenopleiding leren. Een laat nieuwjaarsfeest. Uitgestelde boodschappen in de Bioplanet.

Toen ging mijn konijn dood. Het was van de ouderdom dus dat was mooi. Ik herinner me dat het sneeuwde. Zijn pootafdrukken bleven nog een paar dagen in dat wit gedrukt staan. Mijn mama begroef Kobe in de, pardon: zijn tuin. Dag Kobe, huppel in vrede.

In februari en maart werkte ik 22 dagen als suppoost in De Witte Zaal. De tentoonstelling bestond uit een volledig witte ruimte, verlicht met TL-buizen. Mijn taak was: streepjes zetten wanneer er mensen waren. Ik heb maar weinig streepjes moeten zetten. Er waren veel mensen die een voet binnen zetten, dan hun wenkbrauwen optrokken en meteen weer weg gingen. Die verdienden geen streepje. Er waren ook mensen die zeiden ‘hier is niets zenne!’ of ‘er hangt niets op!’ of ‘niets te zien!’ en dan weg gingen. Ook voor hen haalde ik mijn pen niet meer boven.

Ik verveelde me, dagenlang. Ik begon te denken dat het om een medisch experiment ging en dat ik de rat van dienst was. Ik hoopte dat mijn verveling toch een hoger doel zou dienen. Ik zocht camera’s. Ik vond er geen.

Ik herinner me dat ik soms naar de wc ging en dan wc-papier in stukjes scheurde en op de grond gooide. Gewoon omdat ik me moest afreageren.

Om de twee dagen kwamen de twee kunstenaars langs met galeristen die uitriepen dat ‘hun vraagstelling echt gewéldig was’. De kunstenaars zeiden dat ik meer reclame moest maken voor het boek (20 euro). Ze grapten dat ik mijn job niet goed deed en gaven me een schouderklopje. Als ze weg waren rende ik naar de wc. ‘Postmoderne mindfucksssss’, siste ik in de spiegel. Rond mijn mond werd het wit.

Na Pasen stelde Dimitri Antonissen zijn bundel ‘Schrap me’ voor in Amsterdam. Daar sprak ik voor het eerst met Ivo Victoria. Ik was zenuwachtig, want we schreven toen al liefdesbrieven aan elkaar en ik wilde niet dat Zijn Hele Idee Over Mij werd aangetast door een vreemde gewoonte of een vieze lach en dat hij dan niet meer kon schrijven want tenslotte moet je je het toch een béétje kunnen inbeelden en dat gaat niet bij iemand die je walgelijk vindt. Dénk ik.

We werden met z’n allen dronken. Ik ging naar de wc. Toen ik mijn handen aan het wassen was, hoorde ik iemand in het café vragen aan Bertos of hij het niet erg vond, van die brieven. Of hij niet jaloers was. ‘Het is haar werk’, antwoordde hij, ‘ze wordt daar voor betaald. Bovendien hebben we het op voorhand besproken.’ Ik heb dat antwoord nog tegen veel mensen moeten herhalen. Ze reageerden allemaal hetzelfde: ze knikten, en in hun ogen las ik een mengeling van bezorgdheid en ik geloof je niet maar ach je bent nog jong wat zou het.

In mei moest ik leren. Didactiek. Agogiek. Psychologie. Het waren de eerste mooie lentedagen. Bertos en ik gingen veel schommelen of gooien met een bal in het Baudelopark. Daarna kon ik weer leren.

Ik ben écht geen student. Ik haat leren. Ik word er depressief van.

Ik verveelde me zo hard dat ik mijn blog om de drie uur een update gaf. Kijk, dat was dan wel weer mooi.

Waaiweek in Nijmegen. Met ons collectief dat geen collectief wil zijn.
‘We moeten echt een kantoor’, zei mevrouw Hendrix. We zeiden allemaal ‘JA’.

Bertos en ik stonden in stilte te wachten op de trein naar huis. Allebei doodop. Hij zei: ‘we moeten hier komen wonen.’ Ik zei: ‘ja’. We moesten een bus nemen want de trein tussen Roosendaal en Essen reed niet en er was ook omleiding. Na vijf uur reizen waren we thuis. We hebben die avond niet veel meer gezegd. De hele week niet, eigenlijk. We misten alles wat we in Nijmegen achter hadden moeten laten. Behalve de gestampte muisjes, die was ik eerlijk gezegd misschien wel een tikkeltje beu gegeten.

In juli volgde ik rijlessen. Patrick was mijn leraar.
Knack Focus kwam uit in de week van mijn laatste rijles. Ik nam het tijdschrift mee en liet het fier aan Patrick zien. Hij vond het tof. Hij las een aantal stukjes luidop voor.

In de auto vroeg hij: ‘als jij me zou moeten vergelijken met een dier, met welk dier zou dat dan zijn?’ Ik probeerde op de weg te letten en de vraag een beetje te omzeilen door oneliners door de auto te gooien die betrekking hadden op zijn karakter. ‘Ik denk dat je wel van financiële zekerheid houdt, want je hebt twee jobs’ of ‘je bent een trouw persoon want je praat veel over je vrouw’ en ook ‘toch schuilt er wat zenuwachtigheid in jou, dat merk ik aan je rookgedrag.’ ‘Klopt’, antwoordde Patrick. En dan: ‘voorrang van rechts!’

Aan het einde van de les vroeg Patrick of ik zin had in koffie. Hij zou mij naar zijn stamcafé laten rijden. Dat vond ik een goed plan. We stopten aan een tankstation. ‘Voila, dat is nu mijn stamcafé zie’, zei hij. Ik kreeg een flesje water en hij dronk koffie uit een kartonnen beker. We stonden in de zon. Hij sprak over zijn leven, over sparen en zijn volgende grote aankoop. Een HD-tv.

Er waren weken waarin er weinig gebeurde, maar die weken waren schaars. Tijdens zulke weken hernam ik mijn Grandioos Dieet. In augustus ging ik zwemmen. Toch zeker een keer of drie, in het oude zwembad aan de Rozenbroeken (Sint-Amandsberg). De ramen stonden open. Er waren werken buiten. Er waaide stof in het zwembad.

Er waren vijf Turkse kinderen, vijf redders en ik. Ik lag op mijn rug en bedacht iets over een walvis en algen. Die tekst werd later een eenakter en opgevoerd op het Wintertuinfestival. Ik ging onder water. Tien kinderbeentjes trappelden aan de overkant. Aan de diepe kant. Br, dacht ik.

Dit was een drukke week.

Het hoogtepunt van het jaar: de geboorte van mijn petekindje.
Mijn trein had zeven minuten vertraging. De zeven langste minuten van mijn leven.
Hij was heel klein en ik durfde hem niet uit zijn bedje nemen dus vroeg ik het eerst aan mijn zus. ‘Natuurlijk’, zei ze. We lachten en weenden allemaal samen. ‘Dag Miro’, zei ik. Daarna was ik een hele tijd stil.

Herinner je je nog dat popje in Tik Tak vroeger? Zo’n doorzichtig popje dat een rietje in een glas limonade stopt, ervan drinkt en zelf langzaam wordt gevuld met limonade, tot hij helemaal oranje ziet? Zo voel ik mij als ik Miro in mijn armen heb. Tot over mijn oren.

Ik werkte heel hard voor Kapitein Winokio, er waren literaire festivals, een interview met HUMO en toen kreeg ik de windpokken. Ik deed tien dagen niets. Ik lag gewoon in de zetel. Zelfs mailen deed ik niet. Sommige mensen stuurden gewoon hun mail nog een keer op, om weinig subtiel te zeggen ‘he trut, mail een keer terug’. Dus mailde ik terug. Crowdpleaser die ik ben.

Hier hernam ik nog eens mijn dieet.

En dit is het einde van 2010.

Er kwamen mensen bij.
Er kwamen mensen terug.
Ik herontdekte oude vrienden.
Danku, oude vrienden, echt.

Daag 2010. Je was een goed jaar. Misschien zelfs wel het beste.

Feestdagen. Zucht. Wie houdt er niet van?
Ik heb vandaag mijn onkostenbonnetjes gezocht en gesorteerd op ‘vervoer’, ‘materiaal’ en ‘prints & scans’. Daarna heb ik facturen in mappen gestopt. Een paar mails gedaan naar mensen. Wat rondgehangen. Gedacht dat ik dringend de was moet doen, want mijn onderbroeken zijn op. Onmiddellijk daarna de bedenking gemaakt dat ik morgen misschien gewoon onderbroeken kan gaan kopen. Nog wat rondgehangen. Mijn fotodoos bovengehaald.

De pijnlijke ontdekking gedaan dat ik sinds mijn vierde levensjaar niet meer van kapsel ben veranderd.
Zo avontuurlijk ben ik dus. Daarna heb ik wat nagedacht over het leven. Over hoe snel alles gaat en ik misschien eens wat meer foto’s moet nemen want ik doe dat nooit. Misschien moet ik een keer naar de kapper gaan.

Of eindelijk mijn schoolwerk eens in orde brengen. Diepe zucht. Feestdagen.

Ronny had Esmeralda voor het eerst gezien op het feestje van Evy. Ze hadden samen in de plasrij staan wachten.
‘Ik moet echt heel dringend,’ zei Ronny. Achter hem zei iemand met een schril stemmetje dat zij nog dringender moest. Echt supersupersuperdringend moest zij. Later zou Ronny zich ergeren aan wat hij Esmeralda’s dramaqueen attitude noemde. Maar toen in de plasrij vond hij het best schattig. Hij liet het meisje voor.

Zo kon hij tenminste haar kont checken.

‘Hoe heet jij?’ vroeg het meisje.
‘Ronny,’ zei Ronny. ‘Ronny De Roper.’
‘De Roper? Wat is een roper?’ vroeg het meisje.
Ronny haalde zijn schouders op. Het meisje stak haar hand uit. ‘En ik heet Esmeralda. Van Heemsvelde Esmeralda.’
‘Dat is niet beleefd,’ zei Ronny. Hij schudde haar hand. Slap handje.
‘Wat niet?’
‘Je familienaam voor je voornaam zetten.’
Esmeralda rolde met haar ogen. ‘Waarom niet?’
‘Daarom niet.’

Esmeralda draaide zich om. Ze stak haar hand tussen haar benen en wipte op en neer.

‘Ben jij geadopteerd misschien?’ vroeg Ronny.
‘Waarom?’ Esmeralda keek niet om.
‘Ik ken niemand die Esmeralda heet. Waarom heet je zo?’
‘Omdat ik moet pissen, oké?’

Er kwam een man uit de wc. Zijn gezicht was rood aangelopen.
‘Eindelijk!’ zei Esmeralda. Ze hipte de wc in en meteen weer uit.
‘Boaak!’ schreeuwde ze. ‘Ik pis wel in het bad.’

Ze hadden samen in het bad gepist. Ronny staand en in stilte, Esmeralda gezeten op de rand, luid pratend over haar hondje dat alleen thuis zat en zeker ook moest pissen. Kakken zelfs misschien.

‘Daag,’ zei ze. ‘Ik ga naar huis. De hond hé. Nu gaat dat beest niet meer uit mijn gedachten.’
Ronny zwaaide haar uit met beide handen. ‘Kuthond,’ zei hij.

Het was kwart over twee in de namiddag. Esmeralda kneedde het brooddeeg. Hard, en zeker niet met liefde. Want ze dacht aan Ronny, en hoe hij zonder iets te zeggen was vertrokken deze ochtend.

Hoe kon hij haar dit aandoen?
Wat was er toch mis met haar?
Had ze hem iets misdaan?
Scheelde er misschien iets met haar adem?

Esmeralda sloeg met haar vuist in het deeg.

En wat dan nog als haar adem naar het putje stonk?
Liefde overstijgt toch alles?
Lifts us up where we belong?
Where the eagles fly?

Ze had hem goddomme druifjes uit haar navel laten eten vannacht.

Esmeralda maakte een kommetje met haar handen en blies erin.
Nee, met haar adem was alles prima.

Het lag aan Ronny.
Hij kon zich niet binden.
Met dat moedercomplex van hem.
En die vieze sokken overal.
En dan dat snurken.
En zijn vrienden. Wanneer ging hij die eens lossen?
Wanneer ging Ronny eigenlijk eens volwassen worden?
Een job zoeken bijvoorbeeld? Heh? Niet meer weglopen van de dingen?

Esmeralda pulkte een stukje deeg los en stak het in haar mond.
Nog te weinig zout, vond ze.
Ze nam een nieuwe zak uit de kast, scheurde hem open, keek woedend voor zich uit en begon het zout op het brooddeeg te gooien.

Volg

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 3.936 other followers